1341 |
Hunebedden (ca. 3400 - ca. 2850 v. Chr.) |
Klik hier voor het frame van de pagina In Noord-West-Europa werden al in het vijfde millennium voor Chr. megalithische bouwwerken gebouwd. Het oudste bekende monument van massief steen werd gebouwd ± 4800 v. Chr. op de Britse eilanden. Uit diezelfde tijd dateren de vroegste corridorgraven in Bretagne. Grafmonumenten vinden we in heel West-Europa: van Corsica, Sardinië, Italië, de Noord-Afrikaanse kust en Spanje tot in Polen en Zuid-Zweden toe. Bij twee draagstenen spreekt men van een portaalgraf, bij vier van een gang- of corridorgraf. |
Vanaf ± 3400 v. Chr. werden ook in het deltagebied van de Rijn en de Maas grafkamers gebouwd. Ze worden hier "hunebedden" genoemd. In deze grafkamers, waarin meerdere doden werden bijgezet, werden grafgiften meegegeven in de vorm van potten met voedsel en kralen van barnsteen. | ![]() |
Veel archeologen nemen aan dat de hunebedden naast de functie van grafkelder ook een ceremoniële, rituele, godsdienstige en/of rituele functie hebben gehad. net als Stonehenge in Engeland en de in lid opgestelde stenen (menhirs) bij Carnac in Bretagne. Dat de hunebedbouwers zich zulke enorme collectieve inspanningen getroostten om hun doden een tijdsbestendige rustplaats te geven moet haast wel op een sterke voorvaderverering en een rotsvast geloof in het hiernamaals duiden. Dominee Johan Picardt uit Coevorden had daar in 1620 zo zijn gedachten over: "Barbarische en wreede Reusen, Huynen, Giganten, menschen van grauwelijcke Statuer, groote krachten en beestelijcke wreetheijdt, die God noch menschen gevreest hebben, maar geaxcht worden geboren te zijn tot verderf des menschelijcken geslachts". Later werd de Germaanse stam de Hunnen (vandaar de vroegere naam "hunnebedden", daarna de Noormannen en nog later de Kelten voor de bouw verantwoordelijk gehouden. Tegenwoordig denkt men beter te weten: het waren de eerste boeren in noord- en oost-Nederland. Ze worden door de archeologen het Trechterbekervolk genoemd naar de vorm van de meest voorkomende aardewerken beker die in en om de hunebedden werd aangetroffen. De portaal- en ganggraven (corridorgraven) zoals de hunebedden werden uiteraard alleen op die plaatsen gebouwd waar in de bodem zwerfkeien voorkwamen die daar groot genoeg voor waren en dat was behalve hier ook in Noord-Duitsland en Denemarken het geval. Kleiner steengraven (zonder zij-ingang) heten dolmens en komen in een nog ruimer gebied voor. Daar er uit dezelfde periode ook vele zogenaamde "vlakgraven"(voor één of enkele doden) bekend zijn, is niet duidelijk wie wel en wie niet voor bijzetting in hunbedden in aanmerking kwamen. Archeologe Anna Brindley meent dat slechts hoog geplaatsten die eer ten deel viel. Er bestaan nog 54 hunebedden in ons land, waarvan 52 in Drenthe en 2 in Groningen. Oorspronkelijk zijn er tenminste 88 geweest, maar vermoedelijk meer dan honderd. Van 34 zijn er sporen gevonden, waarvan drie in Groningen, twee in Overijssel en één in Friesland. De grootste concentratie vinden we echter op de Drentse Hondsrug met Borger en Emmen als opvallende centra. Geen enkel hunebed is meer compleet. Van vele ontbreken één of meer dek- en draagstenen, van de meeste de poort- en kransstenen en van alle de stop- en pakstenen. In de afgelopen eeuwen werden de Drentse keien handelswaar, vooral toen omstreeks 1730 de zeedijken moesten worden vernieuwd omdat de paalworm in de houten dijkbeschoeiing van de zeeweringen toesloeg. Ondanks het in 1734 uitgevaardigde verbod van de Drost en Gedeputeerden van Drenthe werden vele duizenden zwerfkeien, waaronder hunebedstenen op transport naar andere oorden gesteld. Maar daarnaast zijn in de loop der tijden godsdienstijver en ordinaire verniel- en hebzucht oorzaken van het verval van de hunebedden geweest. Als gevolg daarvan bevonden de meeste hunebedden zich aan het begin van de 20e eeuw in deplorabele toestand. In 1918 vond een inventarisatie plaats waarbij slechts 16 stuks het predikaat "in goede staat" kregen. De rest verkeerde in "gehavende" of zelfs "droevige" staat. Sindsdien is de aan de bestudering en instandhouding en restauratie van de hunebedden de nodige aandacht besteed. Prof. dr. A.E. van Giffen, hoogleraar archeologie aan de RU te Groningen heeft de inhoud van de hunebedden onderzocht. Hij markeerde de plaatsen van de ontbrekende draag- en poortstenen, richtte uit het lood geslagen draagstenen weer op en zette afgegleden dekstenen weer op hun fundament. Hij conserveerde de onmiddellijke omgeving en plaatste handwijzers en bronzen naamplaten. Het vrijwel in de oorspronkelijke staat herstellen van het hunebed de Papeloze Kerk bij Schoonoord (D49), vormde de kroon op zijn werk. Ter ere van hem siert zijn in brons gegoten en in een zwerfkei gemetselde portret in dit monument. Van de hunebedden zijn er er 31 stuks in eigendom bij het Rijk en 21 bij de Provincie. Eén hunebed bij Westenesch ten oosten van Emmen staat op het erf van een boer en is in particulier bezit. Het aantal door van Giffen in de hunbedden aangetroffen voorwerpen verschilde enorm. Bij het ene hunebed niets, bij het andere wemelde het van de potscherven. Ongetwijfeld zijn in het verleden tal van hunebedden leeggeroofd. Voorbeelden van rijke vondsten zijn o.a. het hunebed D53 bij Havelte met scherven van minstens 660 stuks aardewerk., D19 in Drouwen met ca. 400 en D21 bij bronneger met rond 600. Als men aanneemt dat het aantal aan de doden meegegeven stuks aardewerk beperkt bleef tot één of enkele, moeten er per hunebed in de loop der tijd honderden doden zijn bijgezet. Het aardewerk heeft verschillende vormen. |
![]() |
Behalve de kenmerkende trechterbekers vond men lepels met een holle steel (vermoedelijk zuigflesjes), kraaghalsflesjes, schouderpotten, schalen en emmers. Menselijke botresten zijn in Nederlandse hunebedden niet aangetroffen; ze zijn in de loop van de tijd in de zure bodem verteerd. In kalkrijke streken in Duitsland heeft men wel skeletdelen gevonden. Andere aangetroffen bijgaven zijn veel beperkter in aantal. Hiertoe behoren vuurstenen bijlen, pijlpunten en schrapers, sieraden zoals kralen van git en barnsteen en zelfs enkele van koper. De bezitter moet "steen"rijk zijn geweest, want barnsteen is zeldzaam en koper kwam in onze contreien niet voor. Ook de Trechterbekercultuur kende rangen en standen. |
In het Drentse Exloo is de tot nu toe oudste grafkamer van Nederland gevonden. Deze zgn. dolmen, d.w.z. een grafkamer bestaande uit één deksteen en drie zijstenen) dateert uit ± 3400 v. Chr. De stahoogte onder de deksteen moet minstens 2 m. zijn geweest. | ![]() |
In 1968 werd een "hunebed" in het Drouwenerveld nader onderzocht om meer te weten te komen over de bouwwijze van onze grafkamers en de grafgebruiken van de "hunebedbouwers". In zijn huidige staat is dit hunebed de ruïne van een zorgvuldig gebouwd grafmonument. |
De heuvel waarin de kelder verscholen ging, is geheel verdwenen. De wandstenen waren in kuilen van verschillende diepte geplaatst, zó dat hun toppen, waarop de deksteen rustte, in één vlak kwam te liggen. De wandstenen stonden enigszins schuin, twee aan twee tegenover elkaar, met een vlakke zijde naar binnen. De ruimte tussen de wandstenen werd opgevuld met stenen. De keldervloer lag bijna 1 m beneden het maaiveld. Iedere dode die in het hunebed was bijgezet, had enkele potten met voedsel als grafgift meegekregen. Zij stonden bij elkaar in het westelijke uiteinde van de grafkelder. In totaal zullen dat er vele honderden zijn geweest, maar ze waren alle gebroken tot kleine scherven en grotendeels vergaan. | ![]() |
laatst bijgewerkt: 28-12-02 |