3980 | Indiase subcontinent (185 v. Chr. - 544 n. Chr.) |
![]() |
![]() |
Klik hier voor het frame van de pagina |
Na het uiteenvallen van het Maurya-rijk na de dood van de laatste Maurya-keizer in 185 v. Chr. brak er een tijd aan van verwarring. Het Mauryarijk viel uiteen in kleine, vechtlustige vorstendommen van onafhankelijke dynastieën. Een aantal daarvan heerste tijdelijk over een groter gebied. Desondanks was de middenperiode een periode van grote culturele ontwikkeling en welvaart, die voortkwam uit de handelscontacten die vooral het zuiden had met het Romeinse Rijk in het westen en Zuidoost-Azië in het oosten. Veel van de zuidelijke dynasties heersten ook over grote gebieden in Zuidoost-Azië en verspreiden er het boeddhisme en hindoeïsme. Het zou zo'n 5 eeuwen duren voor er weer een nieuwe grote heerser in Noord-India aan de macht zou komen.
De Satavahana-dynastie heerste vanaf ongeveer 230 v.Chr. over wat nu Midden-India is. De belangrijkste heersers waren Het Boeddhisme en Jainisme hadden het Hindoeïsme in het noorden en midden vervangen als dominante godsdienst. Na de 5e eeuw maakte het hindoeïsme echter een come-back, om tot op heden de dominante godsdienst van India te blijven. Het zuiden was al die tijd dominant-hindoeïstisch, omdat de invloed van de Maurya's er veel kleiner was geweest. Een andere nieuwe stroming was het christendom, dat volgens de overlevering in 52 n. Chr. door de apostel Tomas (een van de twaalf leerlingen van Jezus uit het Nieuwe Testament) naar Kerala was gebracht. |
Het noordwesten (de Punjab en Indusgebied) kreeg te maken met invallen vanuit Perzië, Afghanistan en Centraal-Azië, die het gevolg waren van een waren volksverhuizing die in de tweede eeuw v. Chr. in Oost-Azië in gang was gezet. ![]() |
![]() |
De Grieks-Bactrische koning Demetrius I viel India in 180 v. Chr. binnen tot zo ver als Pataliputta (Patra). Hij vestigde zo een Indisch-Grieks koninkrijk dat in sommige delen van India bestond tot aan het einde van de eerste eeuw voor Christus (10 n. Chr.). Het boeddhisme kwam tot bloei onder de Indisch-Griekse koningen, en sommigen suggereren dat hun invasie van India ondernomen was met de intentie steun te geven aan het Mauryaanse rijk en om het boeddhistisch geloof te beschermen van de religieuze vervolging door de Sungas (185 - 73 v. Chr.) Een van de meest beroemde Indisch-Griekse koningen is koning Menander, die regeerde van circa 160 tot 135 v. Chr. Hij bekeerde zich waarschijnlijk tot het boeddhisme en wordt in de Mahayana-traditie gepresenteerd als één van de grootste weldoeners van het boeddhisme, vergelijkbaar met Koning Asoka en de latere kushische Koning Kanishka. De munten van Menander dragen de tekst "Reddende Koning" in het Grieks, en "Grote Koning van de Dhamma" in Kharoshthischrift. Directe culturele uitwisseling lijkt aanwezig te zijn geweest door de dialoog van de Milinda Panha, tussen de Griekse koning Menander en de monnik Nagasena (circa 160 v. Chr.). Toen Koning Menander overleed, werden zijn overblijfselen opgeëist door de verschillende steden die onder zijn macht vielen. Er werden stoepas voor gemaakt, net als gedaan werd voor de historische Gautama Boeddha. De Indisch-griekse koninkrijken werden geleidelijk overmand, en hun cultuur geassimileerd, door achtereenvolgens migrerende indisch-europeaanse nomaden van Centraal Azie, de indische Scythen en tenslotte de Yuezhi. De Yuezhi vestigden het Kushaanse rijk vanaf circa het jaar 12 voor Christus. De Indo-Scythen waren een Indo-Europese Saka stam van de Scythen, die uit het zuiden van Siberië naar Bactria migreerden en van daaruit Sogdiana, Kashmir, Arachosia en Gandhara binnenvielen. Hun rijk hield stand tussen de 2e eeuw v.Chr. en de 1e eeuw n. Chr. De Saken (Sai, Sakas or Scythen), waren uit hun woongebied Ili valley, direct ten noorden van de Tian Shan door de Yuezhi verdreven. Zij trokken na het passeren van de Khunjerabpas het gebied tussen Xinjiang and Noord-Pakistan binnen (ca. 176 v. Chr.). Vervolgens (ca. 145 v. Chr.) trokken de door ditzelfde volk uit Bactrië verdreven Grieken over de Hindoe Koesj naar het zuiden. Tenslotte drongen in de 1e eeuw v. Chr. de aan de Yuezhi verwante Kushans de Punjab binnen en stichtten in dit gebied het Kushan-rijk. De Yuezhi waren een Indo-Europese stam afkomstig uit Centraal-Azië. Hun rijk strekte zich op zijn hoogtepunt uit van Bactria in het tegenwoordige Afghanistan en Tadjikistan tot ver in de Gangesvlakte, misschien zelfs tot aan de Golf van Bengalen. De Indo-Parthen (ook wel Pahlava's genoemd) versloegen een aantal locale heersers (waaronder de Kushana heerser Kujula Kadphises) in het tegenwoordige Afghanistan en Noord-Pakistan en beheersten daarna een tijd lang een deel van Gandhara. Nog later zou de Indo-Sassanide cultuur ontstaan door het mengen van de Indische cultuur met die van de Perzische Sassaniden. Al de bevolkingsgroepen die vanaf het eind van de tweede eeuw voor Chr. het Indiase subcontinent binnenvielen kwamen er om te blijven. Ze zetten de plaatselijke autoriteiten en eerdere bezetters opzij en schiepen in het gebied rond de Indus vorstendommen van allerlei omvang en betekenis. De Saken bouwden een lucratieve handel op over land met Centraal Azië. De Grieken uit Bactrië bevorderden een maritieme handel tussen India en Perzië en Arabië. Zuidelijker heersten de Westelijke Kshatrapa's (35 - 405 n. Chr.). Dit waren Saka-heersers van een rijk in west-centraal India. Ze waren de opvolgers van de Indo-Scythen en tijdgenoten van de Kushana's in het noorden en de Satavahana's in het zuiden. Tot het uiterste zuiden van het Indiase subcontinent zijn de indringers nooit gekomen. Gedurende de hele periode van beroering in het noorden bleef dit gebied zichzelf. De invloed van het Maurya-rijk was in het zuiden nooit groot geweest; zelfs tijdens de regering van |
Gemaakt: 22-08-05; laatst bijgewerkt: 18-09-07 |