3953 Het koninkrijk Maghada onder de Maurya-dynastie 
(321 - 185 v. Chr.)
Koninkrijk Maghada (600 - 531); Perzische overheersing (531 - 327) ; Macedonische overheersing (327 - 323)

Het vertrek van de Macedonische veroveraars onder aanvoering van Alexander de Grote in 325 v. Chr., twee jaar nadat hij het gebied had veroverd, schiep grote politieke en militaire kansen in Noordoost-India. De kleine buitenposten en garnizoenen die de Macedoniërs hadden achtergelaten kwijnden al gauw weg en de Indische vorsten van het noordwesten die al eeuwenlang geen werkelijke macht hadden bezeten, waren te zwak om het machtsvacuüm op te vullen - en de  jonge, krijgshaftige Indische koning Tsjandragupta (Candragupta) Maurya (ca. 320 - 297?) wilde dat maar al graag te doen.

Tsjandragupta was ongeveer twee jaar na Alexanders terugtocht op de troon gekomen van het Koninkrijk Maghada en begon toen onmiddellijk met een leger van 600.000 soldaten naar het noordwesten te trekken om binnen tien jaar de Punjab en de Indusvallei, dat tijdens de Perzische overheersing (531 - 327 v. Chr.) een belangrijk wingewest was (de twintigste satrapie bracht volgens de Griekse geschiedschrijver Herodotus meer schatting op dan welk ander deel van Perzië ook!) te veroveren.

Hoe Tsjandragupta de macht heeft kunnen grijpen weten we niet.  Het is wel duidelijk dat hij zich als een bekwaam militair leider ontpopte, die zich tegenover de wettige koningen van Maghada had gesteld en deze tenslotte van hun plaats had verdrongen. Wie was deze Tsjandragupta en hoe kon het dat hij blijkbaar over de vereiste bekwaamheden beschikte om zijn militaire expedities uit te kunnen voeren? Om te beginnen was Tsjandragupta's afkomst al een duistere zaak. Zijn naam Maurya zou kunnen verwijzen naar de krijgsstam Morija. De legenden plaatsen hem in de hoge klasse der krijgers zou hij zijn vader zijn verloren tijdens een paleisrevolutie die plaats had gevonden nog voor Tsjandragupta was geboren. Tsjandragupta werd opgevoed in een klein dorp op het platteland onder de hoede van een herder en later van een jager.

In 305 v. Chr. versloeg Tsjandragupta Seleucus Nicator van het rijk der Seleuciden, die de Indische provincies trachtte te heroveren. In plaats van het verloren land te herwinnen moest Seleucus eigen gebied in het bergachtige Noord-west Baluchistan en de gebieden van Kaboel, Kandahar en Herat in het tegenwoordige Aghanistan prijsgeven. (In legenden wordt vermeld dat Seleucus als onderdeel van de overeenkomst Tsjandragupta ook zijn dochter ten huwelijk gaf, terwijl de Indische heerser de man die hij had verslagen een vorstelijke gift schonk van 500 olifanten).

Tsjandragupta was nu eerder keizer dan koning. Vanuit zijn hoofdstad Pataliputra (op de plaats van de tegenwoordige stad Patna in noordoost India aan de zuidelijke oever van de Ganges, heerste hij over een rijk dat zich uitstrekt over de vlakten van de Indus en Ganges en het hoge gebied van het noordwesten. Hieraan voegden zijn afstammelingen nog grotere gebieden toe.

Rechts Resten van een stad uit de Maurya-tijd

Zijn reusachtige rijk bestond uit een lappendeken van kleine, twistzieke staten. Ondanks al het toezicht door agenten van de centrale regering vormden complotten en opstanden een voortdurende bedreiging. Daarom werd een ingewikkeld systeemopgezet om de persoonlijke veiligheid van de koning te garanderen. Tsjandragupta werd onafgebroken bewaakt en veranderde vaak van nachtverblijf. Een gepakte rebel of verrader kreeg onveranderlijk de doodstraf. Om bekentenissen te krijgen of de straf te verzwaren werden verschrikkelijke martelingen toegepast. Een omvangrijke geheime dienst met agenten uit alle lagen van de bevolking won inlichtingen in voor de koning en voerde tevens geheime opdrachten uit, zoals het vermoorden van personen die wel eens gevaarlijk zouden kunnen worden. De garnizoens in het hele rijk hielden het volk in bedwang en onderdrukten de geringste poging tot opruiing of opstand. Het leger, bestaande uit 700.000 man, 9000 olifanten en 10.000 strijdwagens, was uitstekende uitgerust.. 

Beschermd door het leger en door zijn heimelijke leger van spionnen, leidde Tsjandragupta een leven van enorme pracht en praal. De ongelooflijke verhalen van rijkdom die reizigers van tijd tot tijd uit India meebrachten, berustten voor een groot deel op waarheid. Het hofleven was buitengewoon weelderig. De Mauryaanse heersers woonden in luxueuze paleizen met veel ebbenhouten en teakhouten decoraties en omringden zich met honderden bedienden, hovelingen en rijk uitgedoste danseressen. Zijn verschijning buiten de paleismuren ging meestal gepaard met schitterende koninklijke processies. Hij was gekleed in fijne mousseline, geborduurd met purper en goud en werd gedragen op een gouden draagstoel, rijkelijk met parels bezet. Zijn lijfwachten bereden olifanten die schitterden van goud en zilver; enkele van hen droegen boompjes waarop levende vogels zaten en een aantal gedresseerde papegaaien fladderden rond het hoofd van de koning. Dergelijke processies maakten vaak deel uit van de een of andere religieuze feestdag, maar de koning gaf zich ook over aan sportbeoefening, vooral de jacht. Zijn lijfwachten en partners tijdens de jacht waren lieftallige vrouwen met zwaarden gewapend en even frank en vrij rijdend als mannen. Zoals zo vele koningen en keizers na hem, keek hij het liefst naar de wagenrennen, hoewel hij ook veel genogen beleefde aan gevechten tussen wilde stieren, rammen, neushoorns en olifanten.

Het persoonlijke leven van de koning schijnt in zijn laatste jarne een radicale ommekeer te hebben ondergaan. Volgens de overlevering sloot de eens zo geweldige jager en krijgsman zich aan bij het Janaïsme, dat alle geweld verwierp, zelfs het doden om te eten. Na 24 jaar van absolute heerschappij zou de oude imperiumbouwer troonsafstand hebben gedaan om monnik te worden. Hij betrad de tempel van Sjravana Bengola - ook nu nog een actiek Janaïstisch klooster in MYsore - en vastte tot de dood, in navolging van de stichter van de sekte.

Tsjandragupta's zoon Bindusara, die regeerde van ca. 298 tot 273 v. Chr. verlegde de grenzen van het rijk waarschijnlijk naar het zuiden, tot diep in het hoogland van Dekkan en aan de westkust tot aan het tegenwoordige Mysore.

Zijn nakomelingen, de heersers van de Maurya-dynastie , zwaaiden tenslotte over een nog groter gebied de scepter. Op het toppunt van zijn macht was het Mauryarijk het eerste grote Indiase rijk in de geschiedenis. Het strekte zich toen uit van de Arabische Zee tot aan de Golf van Bengalen. 

Ashoka (Asoka) de Grote (268 - 232 v. Chr.)

De bekendste telg uit de Maurya-dynastie was de kleinzoon van Candragupta, keizer Ashoka en de zoon van de Mauryaanse keizer Bindusara en koningin Dhamma. De naam Soshoka is Pali voor "vrij van zorgen" (a = zonder/geen, soka = zorgen). Hij besteeg de troon in 274 voor Christus en was vastbesloten zijn macht naar het zuiden uit te breiden. 

Ashoka, de derde telg van de Maurya-dynastie, had verscheidene oudere broers en zussen en één jonger: Vitasoka. Wegens zijn voorbeeldige intellect en strijdvaardigheid wordt gezegd dat hij de favoriete kleinzoon van zijn grootvader Tsjandragupta Maurya was. De legende gaat dat toen Tsjandragupta Maurya zijn imperium voor het jaïnistische leven verruilde, hij zijn zwaard wegwierp, Ashoka vond het zwaard en hield het.

Ashoka was de eerste heerser van het oude Bharata (India) na de befaamde heersers van Mahabharata. Hij voerde een absoluut, sterk gecentraliseerd bewind over het uitgestrekte Mauryarijk, dat groter was dan het huidige India.

Ashoka schijnt een militaire en politieke leertijd te hebben doorgemaakt die voor een troosnopvolger gebruikelijk was. Hij begon waarschijnlijk als afgevaardigde van zijn vader in het leger tijdens diens veroveringsoorlogen. Om bestuurservaring op te doen was hij ook onderkoning in een aantal provincies. Volgens sommige legenden ging zijn troonsbestijging niet vreedzaam in zijn werk en was de verovering van Kalinga een rijk aan de oostkust van Voor-Indië (274 v. Chr.), het resultaat van een bloedige en genadeloze strijd.

Met die oorlog tegen,  behaalde Ashoka een groot militair succes, maar de strijd ging gepaard met zo veel bloedvergieten, dat dit Ashoka met zoveel afschuw vervulde, dat hij de oorlog voor eeuwig afzwoer en zich tot het Boeddhisme bekeerde en zorgde tevens voor de verspreiding van deze godsdienst naar de buurlanden. Hij verbood de consumptie van vlees aan zijn hof, gebruikte geen alcohol en predikte deugden als bescheidenheid, gastvrijheid en liefdadigheid. Ashoka's zoon, Mahinda, bracht de godsdienst naar Ceylon, het huidige Sri Lanka.
Na de verovering van het zuiden regeerde Ashoka over het grootste deel van het Indiase subcontinent van het huidige Afghanistan tot Bengalen en zo ver zuidwaarts als Mysore. De stad Patna werd de hoofdstad van zijn rijk. 

Tijdens de regering van Ashoka beleefde het land een grote culturele bloei. Vele inscripties op rotsen en zuilen getuigen van de daden van de opmerkelijke keizer. Onder zijn leiding ontstond algemene voorspoed in het rijk en bloeide de handel, Er werden irrigatiewerken uitgevoerd en er kwam een netwerk van wegen. Voor de Indiërs uit latere tijden betekende de regering van Tsjandragupta het begin van een gouden eeuw.

Deze zuil met vier dreigende leeuwen werd opgericht door Asoka voor het uitvaardigen van zijn morele en politieke richtlijnen. De pilaar van Asoka is gebroken, maar de basis staat nog op zijn originele plaats. De 'top' van de pilaar met de vier leeuwen is vrijwel onbeschadigd gebleven en staat nu in het Sarnath Archeological Museum, waar nog veel meer antieke Indiase kunstwerken in opgenomen zijn. Deze top van de pilaar is nu het nationaal symbool van India.

Minder dan 50 jaar na zijn dood, in 232 voor Christus, raakte het het cultureel hoogstaande rijk van Ashoka in verval en viel het Mauryarijk uiteen. Ashoka's afstammelingen twistten over de troonopvolging, provinciale gouverneurs rebelleerden en maakten hun gebied onafhankelijk. Het Mauryaanse leger verloor zijn kracht en strijdbaarheid en was niet meer in staat het rijk tegen invallers te verdedigen of de inheemse bevolking in bedwang te houden. De Boeddhistische idealen inspireerden de regeringspolitiek niet langer en de Brahmaanse priesters, thans weer de adviseurs van de koningen, verkondigden weer hun oude, van onverdraagzaamheid getuigende geloof in de scheiding van de groepen. De laatste Maurya-vorst Brhadrata werd in 185 voor Christus door Pusyamitra Sunga, de hoofdbevelhebber van het leger, vermoord. 

Het epos over keizer Asoka in 2001 groots verfilmd door regisseur Santosh Sivan. Hierin voert Asoka van Magadha één van de bloedigste oorlogen uit de Indiase geschiedenis tegen buurland Kalinga waarin honderdduizenden slachtoffers vallen. Asoka krijgt spijt en besluit nooit meer oorlog te voeren en gaat vanaf nu de leer van het boeddhisme verspreiden.

Kushanrijk (ca. 185 v. Chr. - 226 n. Chr.)  

Laatst gewijzigd: 22-08-05

colofon