2605 |
Appenijns schiereiland (700 - 600 v. Chr. ) |
![]() |
In de loop van de 7e eeuw breidden de Etrusken hun macht uit over Appenijnse schiereiland en beheersten op den duur het hele gebied van de Alpen in het noorden tot de golf van Napels in het zuiden. Zowel te land als ter zee waren de Etrusken een macht geworden, waar rekening mee moest worden gehouden. In het zuiden kwam hun machtsuitbreiding tot stilstand, waar zij stuitten op de koloniën van de Grieken. |
![]() |
De bewoners woonden in huizen, wat weer blijkt uit een met vogels versierde urn in de vorm van een huis, compleet met deurgat en rookgat. De politieke en sociale ontwikkeling van Etrurië leek sterk op die van andere Midden-Italische volkeren. De Etrusken vormden niet één staat, maar leefden in door koningen geregeerde stadsstaten. De twaalf rijkste en machtigste stadsstaten gingen onderling een federatie aan. Een aantal van deze steden bestaat nog steeds. Andere zijn weinig meer dan archeologische opgravingsplaatsen. Afzonderlijke steden stichtten wel kolonies, in Campanië en de Povlakte. Tarquinia heerste een tijd lang over het naburige Rome. Handel was de belangrijkste bron van welvaart. Er werd gehandeld in agrarische producten, wijn vooral, producten van metaal koper en brons en in aardewerk. De import bestond uit luxe goederen: goud, ivoor en Griekse vazen. Naast de Puniërs op de Afrikaanse noordkust en de Grieken in het oosten en in Zuid-Italië vormden ze een belangrijke handelsmacht in het Middellandse Zeegebied. In grote delen van Europa zijn sporen teruggevonden van Etruskische handelsactiviteiten. Naast de landbezittende aristocratie vormde zich, vooral in het zuiden, een vermogende handelsklasse. Deze kon tot welstand komen door de rijkdom aan metaalertsen in Etrurië, Door de toename van de bevolking ontstonden de eerste steden. |
In de 7e eeuw voor Chr. drongen steeds meer oosterse en Griekse ideeën en stijlen in hun kunst en cultuur der Etrusken door, waarschijnlijk overgebracht door Griekse handelaren uit de Griekse kolonies in Zuid-Italië. Zo namen de Etrusken het schrift en de verering van vele goden van de Grieken over. De oudste Etruskische inscripties dateren uit deze periode. Ook met de landen in het Nabije Oosten (Babylonië, Phoeniciërs) onderhielden de Etrusken nauwe contacten. Spoedig trokken de bloeiende Etruskische steden uit Griekenland geïmmigreerde Griekse handwerkslieden aan. Mogelijk introduceerden zij de techniek van het maken van terracotta-aardewerk en het gieten van brons. Er kwamen afbeeldingen niet alleen van uitheemse dieren (leeuwen, panters), maar ook van fabeldieren (sfinxen, griffioenen, chimaeren). In de kunstnijverheid werden steeds verfijnder technieken toegepast, vooral op het gebied van metaalbewerken en pottenbakken. In de goudsmeedkunst werd de techniek van het granuleren toegepast (met piepkleine goudkorrelttjes) en het filigrain-werk (met gouddraad). |
![]() |
![]() |
Vanaf ± 700 v. Chr. begon het oude crematieritueel, althans in de de meest ontwikkelde kustplaatsen, plaats te maken voor het begraven. |
|
Typisch voor deze periode is het prachtige zwartglanzende bucchero-aardewerk (z. foto hierboven) dat werd gebakken in gesloten ovens, waardoor het diepzwart inkleurde. Dit aardwerk is vooral gevonden in graven waarin men de lichamen van de overledenen neerlegde. De naam buchero-aardewerk is ontleend aan de Spaanse benaming voor Zuidamerikaans aardewerk (letterlijk: dat naar de bok stinkt). |
![]() |
De hartstocht van de Etruskische aristocraten voor een geregeld en comfortabel leven na de dood bracht hen ertoe hun begraafplaatsen met dezelfde zorg aan te leggen als hun steden. Geen enkele tot nu toe opgegraven Etruskische necropolis is zo indrukwekkend als de Banditaccia begraafplaats bij Caere. |
Deze necropolis, die van 700 - 400 v. Chr. in gebruik was, beslaat honderden aren, heeft straten en pleinen en een hoofdstraat waarlangs de rijken naar hun laatste rustplaats werden gevoerd. De graven waarin zij werden gelegd waren uitgerust met een weelde aan toebehoren die de dode zielen nodig zouden kunnen hebben. Aanvankelijk werden de graven, gemaakt van zandsteen, bedekt met hopen aarde die tumuli werden genoemd; omstreeks 200 jaar later werden zij gebouwd als plompe huizen. | ![]() |
Voor de rijken werden kostbare graftombes in de rotsen uitgehouwen.
Deze werden soms verfraaid met schilderingen en voorzien van alle voorwerpen die de dode aristocraat in het hiernamaals nodig zou kunnen hebben. |
![]() |
|
Kenmerkend voor deze periode zijn de kanopen, grote asurnen met deksels in de vorm van menselijke hoofden. In sommige delen van Etrurië bleef men de lichamen cremeren. Daar vindt men asurnen met de afbeeldingen van gezichten.
|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() laatst bijgewerkt: 14-10-10 |