10.356

Industrie en nijverheid in Nederland (1850 - 1900)

  Amsterdam (1850 - 1900); Industrie en Nijverheid in Nederland (1800 - 1850); Fabrieksarbeiders

De stoommachine zette zijn opmars voort. Houtzaagmolens werden stoomzagerijen. Korenmolens werden vervangen door meel- en broodfabrieken. Stoommachines werden in de hele industrie en nijverheid gebruikt: in bierbrouwerijen, diamantslijperijen, gasfabrieken, metaalbedrijven, chocoladefabrieken en sigarenfabrieken. 

Door de komst van de stoommachine veranderde er veel. In Amsterdam waren de diamantslijperijen een van de eerste bedrijven die overschakelden op stoom. In 1840 werden in een diamantslijperij in de Rapenburgstraat voor het eerst de paarden die de molens in beweging brachten, vervangen door stoomkracht. Eén centrale stoommachine dreef via drijfstangen en riemen verschillende andere werktuigen aan. De nieuwe stoomslijperijen bleken de helft goedkoper te werken dan de oude paardenfabrieken. De industrie groeide: er kwamen suikerraffinaderijen en machinefabrieken, want machines moesten ook in fabrieken worden gemaakt. 

Door de aanvoer van de koloniale waren nam de industrie en nijverheid nog verder toe. Een belangrijke tak van industrie waren de suikerraffinaderijen. Talrijk waren ook de tabaks- en sigarenfabriekjes. (236 in 1853 !) 

Na 1860 werd de bierindustrie van groot belang. Aan de Nieuwezijds Voorburgwal stond op de plaats van het Hotel-Restaurant Die Port van Cleve een grote bierbrouwerij. In 1864 werd de brouwerij gekocht door G.A. Heineken. Twee jaar later kreeg hij van de gemeente toestemming om aan de Stadhouderskade tussen Ferdinand Bolstraat en Eerste van de Helststraat een nieuwe brouwerij te bouwen. Het gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal werd ingericht als bierhuis. In 1871 ging de Amstelbrouwerij van start. Door deze toenemende handel en bedrijvigheid groeide de bevolking van de stad snel. 

Omstreeks 1890 waren er in Amsterdam voornamelijk kleine bedrijven, diamantslijperijen, meubelmakerijen, schilder- en timmerbedrijven. Veel mensen werkten ook thuis. Ondernemers konden hun bedrijf toen nog bouwen waar zij dat wilden. Eén stadswijk zou daar echter een uitzondering op vormen: dat was de Museum- en Vondelparkbuurt, waar mensen "van goede stand" woonden. In 1906 liet de gemeente zelfs de zoveel stank verspreidende waskaarsenfabriek, die dicht bij deze buurt stond, afbreken. De meeste fabrieken en bedrijven stonden in de binnenstad (binnen de Singelgracht). In de Jordaan, de Jodenbuurt en op de Oostelijke en Westelijke Eilanden waren vooral kleine bedrijven. 

laatst bijgewerkt: 05-08-02

colofon