4448 |
De fiets |
Van vélocipède tot fiets met twee gelijke wielen, kettingaandrijving op het achterwiel en luchtbanden
Draisine |
![]() |
Driewieler | ![]() |
Vélocipède of loopfiets In 1865 liet Charles Boissevain, de latere hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, uit Londen een onbegrijpelijk geval op twee wielen komen: de vélocipède of loopfiets. Bij deze eerste fiets, ook wel "draisine" of "snelvoet" genoemd, moest de berijder zich aan weerszijden van zijn rijwiel met de voeten van de grond afzetten. Boissevain maakte er als eerste in Nederland een tochtje mee door Rotterdam. Sommige mensen scholden hem uit voor "nietsnut" en bekogelden hem met koolstronken. |
![]() |
Maar hij had het nieuwste van het nieuwste geïntroduceerd, één van de sensaties van de eeuw. Met de voeten steppend op de grond kon men met deze fiets een voor die tijd adembenemende snelheid bereiken. Dat was nog eens een sport. Het was niet meer tegen te houden. Op verscheidene plaatsen in ons land gingen smeden aan de hand van tekeningen uit het buitenland vélocipèdes fabriceren. In 1869 werd in Deventer de rijwielfabriek Burgers opgericht. | ![]() |
Uiterlijke keurige manspersonen met een hoge hoed snelden met zwierende jaspanden als razende monsters kriskras door de parken. Het was niet raadzaam om zich met de vélocipède op de wegen buiten de parken te begeven, want het gebeurde niet éénmaal dat zo'n "maniak" dan getrakteerd werd op de zweepslagen van een koetsier of een pak slaag van de passagiers omdat hij de paarden van de diligence aan het schrikken had gemaakt.
Fietsers telden nog niet echt mee als verkeersdeelnemers, al werd al in 1867 in de Amsterdamse gemeenteraad gevraagd om maatregelen te nemen om de veiligheid op straat te verhogen in verband met toenemende gebruik van de vélocipède. |
Vélocipède met trappers Na de loopfiets kwam de vélocipède met trappers. Deze trappers zaten vast aan de vooras. Het voorwiel was extra groot, omdat je dan sneller vooruit kwam. Het achterwiel was klein om gewicht te besparen. Met twee steps moest men naar het op schouderhoogte liggende zadel klimmen. De allereerste trapfiets werd geïntroduceerd op de Parijse wereldtentoonstelling van 1867. De fiets werd een mode-object in de mondaine kringen. Bekende snobs als de Prince de Sagan zag men in het Bois de Boulogne niet te paard of in een rijtuig, zoals gebruikelijk, maar op de fiets. De countess of Warwick paste de kleur van haar fiets aan bij die van haar toiletten. Zo bezat zij een wit geëmailleerde en een chocoladekleurige fiets. De Amerikaanse Lillian Russell reed op een met goud beklede fiets met parelmoeren handvatten waarop haar monogram in diamanten en smaragden, de naaf en spaken waren met juwelen bezet. De moeder van Winston Churchill was een enthousiast wielrijdster. Iedereen in haar kring leerde fietsen, zelfs de corpulente Prins van Wales. Fietsen werd eerst alleen maar gezien als een sport. Je fietste omdat het gezond was. "Fietsen", zei men, "was een sport, die de longen versterkt, de werking van huid en nieren verbetert en den liefhebber een goede nachtrust verzekert". |
Veel fietsers waren de kunst van het fietsen echter niet zo gauw machtig. Op speciale rijwielscholen moesten de mensen eerst fietsles nemen. In Amsterdam werd in 1896 aan de Nassau-kade Fongers' Rijschool en in 1898 achter het Rijksmuseum de wielerrijschool Velox geopend. In de fietszaal kon je niet veel gebeuren: de pilaren binnen waren met stootkussens bekleed. Tien jaar later was er echter nauwelijks meer belangstelling voor het zaalrijden. Het gebouw van Velox werd verkocht en verbouwd tot zwembad (Zuiderbad). Fongers' Rijschool sloot in 1922, maar de instructeur van Fongers bleef nog tot 1936 lesgeven in het Vondelpark.
Er werden ook fietsclubs opgericht, voorlopig alleen voor heren. Fietsende dames vond men niet fatsoenlijk. Fietsen bleef lange tijd een "herensport". Dames lieten zich alleen in driewielers meenemen met een heer aan het stuur. Pas na 1890 zouden de dames ook zelf gaan fietsen. In 1883 werd de ANWB (de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond) opgericht. In 1902 werden door de ANWB. in Brabant de eerste fietspaden aangelegd en wegwijzers geplaatst . In 1885 werd door de Amsterdamsche Vélocipède Club de eerste grote wegwedstrijd uitgeschreven van Amsterdam naar Arnhem (94 km.). De winnaar deed over de tocht 4 uur en 12 minuten, op massieve wielen ! Wie ging fietsen droeg speciale fietskleding. De uitrusting bestond uit een helmhoed, zwarte pandjesjas met sjerp over de borst, een witte linnen broek en hoge zwarte kaplaarzen. Op hun tochten werden de deelnemers voorafgegaan door een hoornblazer. Daaraan meedoen was een dure aangelegenheid. In 1885 ontstond ook de eerste fiets met twee gelijke wielen met kettingaandrijving op het achterwiel en in 1888 werden de massieve rubberbanden vervangen worden luchtbanden. Hoewel In 1900 1 op de 50 Nederlanders al een fiets had, bleef voor veel mensen het "rijwiel" een vreemd ":vehikel". Fietsers werden op het platteland beschouwd als verstoorders van de landelijke rust. Menig voetganger of voerman voelde zich bedreigd door de "roekloze vélocipedisten". Artsen raadden meisjes, vrouwen en mannen boven de 40 aan "zich te onthouden aan een vermoeiende, gevaarlijke sport als het wielrijden", want de lichaamsdelen onze meisjes en vrouwen en bejaarde mannen zijn in den regel niet opgewassen tegen de vermoeienissen van het wielrijden." Anderen vonden het fietsen voor meisjes en vrouwen onfatsoenlijk en onzedelijk. Maar fietsend Nederland trok zich daar weinig aan. |
![]() |
Steeds meer mensen gingen de fiets gebruiken. Slagersjongens, postboden, militairen en dienstboden reden allemaal op de fiets. Fietsen werden ook gebruikt als vrijetijdsbesteding, zoals voor het maken van vakantiefietstochten. In 1910 waren er al ruim een half miljoen fietsen in gebruik en tot 1930 nam het aantal fietsen toe tot bijna 4 miljoen. De fiets werd het meest populaire verkeersmiddel van de Nederlanders. In 1930 had 1 op de 2 Nederlanders een fiets. |
Rond 1900 werd in het Willemspark een wielerbaan aangelegd, die in 1901 echter werd verplaatst naar de Zeeburgerdijk (waar nu het Makassarplein is). De wielerwedstrijden vonden meestal op zondag plaats en na afloop reden de winnaars in open rijtuigen over de Zeeburgerdijk naar de stad, omhangen met kransen. Zaterdag 's -middags mochten de jongens voor een dubbeltje rijden op de wielerbaan, waar af en toe de planken achter hen de hoogte in vlogen. Na elke wedstrijd had de timmerman dan ook uren werk om de losse planken weer vast te spijkeren. Omdat er bij de wedstrijden nog al eens ernstige ongelukken gebeurden, werden zij in 1901 verboden. In 1915 werd dit "sportpaleis", oud en vermolmd afgebroken. Pas in 1919 kreeg Amsterdam een werkelijke wielerbaan: het Olympisch Stadion. laatst bijgewerkt: -5=-8-02 |