1978 Honduras
Vice-koninkrijk Nieuw-Spanje; De eerste bewoners van Zuid-Amerika
De naam Honduras komt van Colombus. Toen hij aankwam had hij namelijk moeite met het aanleggen met zijn boot en noemde het Honduras, wat diepte betekend. Honduras kent een rijke historie in de bananenplantages, meer dan de helft van de totale export is afkomstig van de bananen. Nu zijn ook suikerriet, tabak, bonen en rijst een belangrijke bron van inkomsten. 
Voor de komst van de Spanjaarden werd Honduras bevolkt door indianen. De belangrijkste stam was die van de Lenca's, die ook nu nog een groot deel van de bevolking uitmaken. Zij woonden in het zuidwesten van Honduras en vertoonden culturele overeenkomsten met de Maya's. De Maya's woonden in het gebied dat nu bestaat uit het gebied ten Zuiden van Mexico, Guatemala, Belize en het Westen van Honduras. Hier bouwden zij 50 a 70 steden. Copán in Honduras besloeg 24 vierkante kilometer en had 20.000 inwoners. Met de komst van de Spanjaarden ging de cultuur van de Maya's in Honduras ten onder.

Spaanse overheersing
In 1502 arriveerde Columbus in Honduras, tijdens zijn vierde reis naar de Nieuwe Wereld. Hij zette voet aan wal in Trujillo. Columbus vond de wateren relatief diep, en hij sprak daarom van de “Golfo de Honduras” (Golf van de Diepten). Vervolgens werd “Honduras” de naam voor het hele achterland van Trujillo. De eerste Spaanse koninklijke gouverneur in het gebied van Diego López de Salcedo.

De Lenca’s boden weerstand tegen de Spanjaarden onder aanvoering van hoofdman Lempira. Hij werd in een val gelokt door hem naar niet-bestaande vredesonderhandelingen te laten komen, waar hij werd vermoord. Lempira is een nationale volksheld van Honduras, waar een departement en de munteenheid naar hem zijn vernoemd. De indianen werden in groepen verdeeld om te werken voor de Spanjaarden. Door oorlogen, armoede en epidemieën slonk de indiaanse bevolking van 500.000 ten tijde van de verovering tot 36.000 in 1547. Het aantal Spanjaarden dat zich in die periode in het gebied ophield wordt geschat op niet meer dan 250.

Lempira (1499? – 1537) stamde als Lenca af van de Maya’s. Gedurende de jaren dertig van de 16e eeuw vocht zijn leger tegen de Spaanse troepen die geleid werden door Francisco de Montejo en Alonso de Cáceres. Hij wist verschillende kleine Lenca-legers dermate effectief te verenigen dat hij in 1537 aan het hoofd stond van een macht van 30.000 soldaten, verdeeld over ruim 200 dorpen. Het doel van Lempira was niet uitsluitend het voeren van oorlog. Hij zond ook regelmatig vredesvoorstellen naar Cáceres, die echter van de had werden gewezen.
Over de omstandigheden van zijn dood in 1537 zijn de meningen verdeeld: geschiedschrijvers uit de 16e eeuw maken melding van een verraad van Spaanse zijde: toen de Spanjaarden Lempira niet wisten te overwinnen besloten ze hem in een val te laten lopen. 

Twee afgevaardigden van Cáceres zouden naar Lempira zijn gestuurd onder het voorwendsel te willen overleggen over een wapenstilstand. Tijdens het overleg, op het moment dat de drie mannen te paard klommen, zou Lempira door een van hen zijn gedood. Andere auteurs uit diezelfde periode melden dat Lempira werd gedood in een grote man-tegen-man veldslag. Een derde versie van de gebeurtenissen wordt verteld door de Lenca’s: er was inderdaad sprake geweest van een verraad, maar op het moment dat Lempira zou worden doodgeschoten merkte hij wat er gebeurde en hij sprong van de rotsen om de eer aan zichzelf te houden. Wat er ook is voorgevallen, het lichaam van Lempira is in elk geval nooit teruggevonden. De Lenca’s menen dat dat komt doordat de rotsen hem hebben omarmd: zij hebben het lichaam tot zich genomen.
Met de dood van Lempira doofde ook het verzet van de Lenca’s tegen de Spanjaarden uit. Lempira werd echter het symbool voor de indiaanse cultuur in Honduras en hij werd een nationale held in het land. Het gebied waar het leger van Lempira vocht wordt nu het departement Lempira genoemd. De munteenheid van het land is naar hem vernoemd: de lempira met zijn beeltenis op het rode biljet van één lempira.
Koloniale periode
Vanuit Belize vestigden de Engelsen zich intussen op de Baai Eilanden en aan de Mosquitia kust. Tot het einde van de 19e eeuw bleven deze gebieden onder Britse controle. Van daaruit werd regelmatig de Spaanse vloot aangevallen. In Omoa en in Trujillo bouwden de Spanjaarden forten om de aanvallen van piraten op de Spaanse zilvervloot af te slaan. Het zilver werd gewonnen en de zilvermijnen in het binnenland. De meeste zilver- en goudmijnen raakten echter al snel uitgeput, en aan het einde van de 18e eeuw werden de mijnen bij Tegucigalpa en Choluteca na overstromingen en verlieslijdende productie gesloten.

Vanaf 1540 werd Honduras bestuurd door de “Audiencia” in Guatemala, van waaruit heel Midden-Amerika (behalve Panama) werd geregeerd. In Honduras bestonden aanvankelijk twee bestuurlijke centra: Trujillo in het Noorden en Comayagua in het berggebied. Toen er later zilver werd gevonden in de bergen bij Tegucigalpa werden Tegucigalpa en Comayagua de twee bestuurlijke centra. Tussen deze steden bestond tot diep in de 19e eeuw rivaliteit.
Onafhankelijkheid
Rond 1820 werd Honduras meegesleept in het onafhankelijkheidsproces dat zich afspeelde in Latijns-Amerika. Mexico verklaarde zich onafhankelijk en op een bijeenkomst in Guatemala van alle leiders van Midden-Amerika werd op 15 september 1820 de onafhankelijkheid van het hele gebied uitgeroepen. Als vice-premier van het in Mexico gevestigde parlement van Midden-Amerika werd de Hondurese José Cecilio del Valle benoemd.

In 1823 werden de Verenigde Staten van Centraal-Amerika gevormd door Guatemala, Honduras, El Salvador, Nicaragua en Costa Rica. De zetel van de Hondurese binnenlandse regering werd afwisselend in Tegucigalpa en Comayagua gevestigd om binnenlandse verdeeldheid te voorkomen. Al snel ontstond er binnen de federatie verdeeldheid tussen conservatieven (die een centrale autoriteit en een belangrijke rol voor de kerk voorstonden) en liberalen (die grotere autonomie voor de deelstaten nastreefden). Dit was aanleiding tot de Centraal-Amerikaanse burgeroorlog van 1826 tot 1829.

In 1829 veroverde de Hondurese liberaal Francisco Morazán Guatemala en vestigde hij zich als nieuwe federale president. Intern bleek deze federatie te verdeeld en in 1838 viel hij uiteen. Op 26 oktober 1838 werd Honduras een soevereine staat en in 1840 werd de conservatief Francisco Ferrera tot president gekozen.

In de 19e eeuw was de invloed van Guatemala op de Hondurese politiek groot. De interne rivaliteit in Honduras werd door Guatemala gebruikt in een “verdeel en heers politiek”, waardoor er geen Hondurese president aan kon blijven zonder toestemming van Guatemala.
Aan het einde van de 19e eeuw groeide de Amerikaanse invloed in Honduras, zoals in het grootste deel van Midden-Amerika. Honduras groeide uit tot een bananenrepubliek. De Amerikaanse inkoper van bananen Samuel Zemurray legde uitgestrekte bananenplantages aan in Honduras. Daarvoor moest hij eerst de liberale president Dávila ten val brengen, waarna Bonilla president werd. Zemurray en andere Amerikaanse bananenhandelaren kregen veel invloed in de Hondurese politiek. De United Fruit Company en de Standard Fruit Company mochten een spoorlijn aanleggen, waarbij Honduras hoopte dat met behulp van deze bananenmaatschappijen eindelijk de lang gewenste spoorlijn van kust tot kust zou worden aangelegd. De Amerikanen investeerden echter alleen in de infrastructuur van de Noordkust, waardoor de spoorlijnen alleen daar werd aangelegd op plaatsen waar plantages waren.

Gemaakt: 23-12-05

colofon