2385

Verkeer op het platteland

De Republiek der Verenigde Nederlanden (1600 - 1702); TrekschuitDilligence, Postkoets

boven: "Het Veer, schilderij van de schilder Esaias van de Velde (1587-1630)

De wegen waren in de zeventiende eeuw nog even slecht als in de middeleeuwen. Het waren nog steeds niet meer dan karrensporen. In Holland en Utrecht was de breedte van de wagenassen voorgeschreven, zodat paard-en-wagens daar tenminste in elkaars spoor konden rijden. Maar in de andere gewesten was dit niet zo. Doordat elke wagen daar zijn eigen spoor maakte, werden de wegen er voortdurend breder. Bovendien zaten de gaten vol gaten en kuilen. Als een wagen daarin terecht kwam, kon het gemakkelijk omvallen. Als er dan een as brak, gaf dat uren oponthoud. Bovendien werden de passagiers in de reiswagen flink heen en weer geslingerd en gehost ! Eeuwenlang waren veerboten de enige manier om een rivier over te steken. Ze waren niet groot, maar dat waren de wagens van de boeren en kooplui evenmin. Anders kon een span paarden ze niet voorttrekken over de slechte wegen. Op een modderige weg bleven de wagens vaak steken of sloegen om. Bovendien waren de wegen smal. Dat leidde regelmatig tot opstoppingen als er van twee kanten een wagen aankwam en de voerlui niet wilden uitwijken. Kooplieden en reizigers die vanuit het zuiden naar Holland reisden, staken de Merwede over met het Kralingse veer. De veerschipper moest goed opletten hoe hard het waaide, want bij harde wind mocht hij het dubbele tarief berekenen. Als het stormde vroeg hij zelfs het vierdubbele ! Maar een reiziger moest wel erg veel haast hebben als hij zich bij storm op het brede water waagde. 

laatst bijgewerkt: 31-07-02