5423

De eerste bedijkingen  (ca. 1000)

Na de ontginningen van Waterland tussen 1000 en 1150 had de Zuiderzee nog steeds vrij spel. Daarom werden dijken om Waterland aangelegd om het steeds lager zakkende land tegen het water te beschermen. Omstreeks 1000 werd hiermee begoinnen: Als eerste in de meest bedreigde gebieden in West-Friesland en langs de kust van het Almere. 

Rond het jaar 1400 was men hiermee klaar, toch hadden de zeedijken nog geen sterke constructie: ze braken geregeld door. Bovendien kon op sommige plaatsen (bij Edam en bij Krommenie bijvoorbeeld) het zeewater nog steeds  zonder belemmering van dammen of sluizen, Waterland binnen stromen. Al met al was de wateroverlast in de 15e en de 16e eeuw groot geworden. 

Veel dijken werden opgetrokken uit klei en veen uit de buurt. Van heinde en ver kwamen er mensen kijken hoe de West-Friezen dat deden. Daarna werden de eerste dijken in Friesland aangelegd van terp naar terp. Langs de kust van Groningen en Friesland lagen kweldergronden. Dat waren kleigronden die hoe dichter je bij de zee kwam modderiger en natter werden. Bij vloed overstroomden deze kwelders en als het eb werd bleef er een dun laagje slib achter. Na enkele jaren was de grond zover opgehoogd met slib, dat de kwelder alleen bij hele hoge vloed onder water liep. De boeren legden nu de eerste dijken voor deze hoge kweldergronden op de plaats waar ze konden blijven doorwerken, zonder twee keer per dag door de vloed te worden verjaagd. Met sleden en karren voerden ze de klei voor de dijk aan. Ossen en paarden stampten de natte klei vast ineen. Een grasmat van afgestoken zoden was de enige bescherming van de dijk, maar het voorland, dat met een flauwe helling in zee liep, brak bij hoge vloed de kracht van de golven. De dijk hield het en er was een goed stuk akkerland gewonnen. Het voorland slibde snel op en na tien, twintig jaar kon er een nieuwe dijk worden gelegd. Weer kon er een nieuw stuk land worden ingepolderd; steeds maar kleine lapjes grond, maar voor de mensen toen grote veroveringen. 
Langzaam schoof de noordkust verder de Waddenzee in; stukje voor stukje werden het Vlie en de Middelzee drooggelegd. Achter al die dijken ontstonden op den duur rijke korenakkers. Door de uitvinding van een nieuw soort ploeg, waarmee de grond werd losgescheurd en omgekeerd, werd het mogelijk om op de zware kleigronden akkerbouw te bedrijven. Het graan dat de akkers voortbrachten, hielp de mensen door de moeilijke tijd zonder geld en handel. 

Ook op de Zeeuwse eilanden werden de slikken en schorren bedijkt. Daar groeiden de eilanden Walcheren, Schouwen en Beveland. De kloosters speelden bij het aanleggen van dijken en het inpolderen van land een belangrijke rol. 

zie ook: bedijkingen (13e eeuw)

laatst bijgewerkt: 17-10-03

colofon