6191 |
Nieuwe bedijkingen |
![]() Na omstreeks 1200 werden de watersnoodrampen als gevolg van het inklinken van de bodem alleen maar erger. De zwaarste was wel die in het 1288. Het eiland Grynt werd een stukje van de Waddenzee. Al het land tussen Enkhuizen en Stavoren met zijn vele dorpen werden weggeslagen. Het Almere groeide tot Zuiderzee. Het enige wat de mensen tegen deze watersnoodrampen konden doen, was de nog meer dijken aanleggen en de bestaande dijken ophogen. Er was echter één groot probleem. In de Lage Landen regende het veel. Dat regenwater moest geloosd worden, anders zou het land onder water komen te staan. Dijken zouden echter niet alleen het zeewater tegenhouden, maar ook het polderwater. Omstreeks 1200 vond men voor dit probleem een oplossing. Door de onderkant van de dijk werd een koker gegraven. Aan de zeekant werd die met een scharnierend deksel afgesloten. Bij eb drukte het water in de sloten het deksel open en het teveel aan water stroomde weg naar buiten. Bij vloed drukte het zeewater het deksel dicht, doordat er geen zout water in de polder kon komen. Toen dit systeem goed bleek te werken kon men zonder bezwaar overal dijken aanleggen. Tussen 1200-1220 werd langs de hele Zuiderzee een zeedijk aangelegd. Hetzelfde gebeurde bij de mondingen van de Rijn en Maas om het binnendringen van het zeewater daar tegen te gaan. Bij de aanleg van dijken langs de kust was er één groot probleem: de dijken hielden niet alleen het zeewater tegen, maar ook het polderwater. In de lage landen regende het veel en dat regenwater moest geloosd worden, anders zou het land onder water komen te staan. Windmolens om het land te ontwateren waren er in die tijd nog niet. Die zouden pas begin 15-de eeuw verschijnen en toen duurde het nog een hele tijd voordat er genoeg windmolens waren om al het overtollige water af te voeren. Als oplossing voor het afvalwaterprobleem groef men aan de onderkant van de dijk een koker, die aan de zeekant met een scharnierend deksel werd afgesloten. Bij eb drukte het water in de sloten het deksel open en het teveel aan water stroomde weg naar buiten. Bij vloed drukte het zeewater het deksel dicht, zodat er geen zout water de polder in kon lopen. Dit systeem bleek goed te werken, zodat men zonder bezwaar overal dijken aan kon leggen. Ook bij de dijkaanleg zelf werden verbeteringen aangebracht: de eerste dijken werden gemaakt van klei of zand. Ze waren niet sterk en nauwelijks één meter hoog. In West-Friesland maakte men de dijken sterker door er aan de zeekant een dikke laag zeegras tegen aan te leggen. Die werd op den duur steenhard. Waar geen zeegras groeide, gebruikte men riet. Alleen die dijkbedekking werd niet hard en je moest hem om de vijf of zes jaar vernieuwen en dat was duur! Om de dijk beter te beschermen sloeg men aan de voet van de dijk rijen palen in het water. Zij braken de kracht van de golven. De eerste dijken werden gemaakt van klei of zand. Ze waren niet sterk en nauwelijks één meter hoog. In West Friesland maakte men de dijken sterker door er aan de zeekant een dikke laag zeegras tegen aan te leggen. Die werd op den duur steenhard. Waar geen zeegras groeide, gebruikte men riet. In Holland werden in de 12-de, 13-de en ook nog in de 14-de eeuw in de ene rivier na de andere dammen en sluizen gebouwd. Bijvoorbeeld in de Amstel, de Rotte, de Schie, de Zaan, de Ee, het Spaarne en op nog heel veel andere plaatsen. Bij de dammen ontstonden gehuchten die later zouden uitgroeien tot dorpen en later tot steden. Er werden Waterschappen opgericht die toezicht moesten houden op het onderhoud van dijken en dammen. Voor die tijd was dit allemaal een gigantische operatie voor zo'n klein landje als Holland. |
![]() |
Tussen 1200 en 1300 werden ook in het gebied van de grote rivieren dijken aangelegd. Het water in de rivieren Maas en Rijn zette iedere winter en ieder voorjaar het land dat eraan grensde wekenlang onder water. Dat was aan de ene kant natuurlijk wel lastig, maar aan de andere kant had dat ook een groot voordeel. Het zoete rivierwater liet namelijk een vruchtbaar laagje rivierklei achter. Maar doordat er ook in deze streek steeds meer mensen kwamen te wonen, was er meer akkerland nodig. Daarom begonnen sommige boeren om sommige stukken land langs de rivier dijken te maken om daardoor nieuw akkerland te winnen. De andere boeren waren toen wel gedwongen om ook hetzelfde te doen. Het aanleggen van dijken langs deze rivieren leverde veel nieuw akkerland op. Dat was hard nodig, want in veel mensen hadden zich de afgelopen eeuwen in dit gebied gevestigd. Nadat een paar boeren begonnen waren stukken land te bedijken, konden de andere niet achterblijven, want de kans op onderlopen van hun land werd alleen maar groter. Links: dijken in Noord-Holland (De geschiedenis van Purmerend) |
Gemaakt: 17-09-02, laatst bijgewerkt: 07-09-10 |