3015 |
Ontginningen in de Lage Landen (± 1000 - 1200) |
Op de hoge zandgronden in het oosten en zuiden van de Lage Landen werden grote stukken zand- en heidegrond ontgonnen en grote stukken bos gekapt en in akkervelden of weiden veranderd. Dit werk werd niet alleen gedaan door horigen in opdracht van grote grondbezitters, maar ook door vrije boeren en vooral ook door monniken in opdracht van hun kloosterorde. Dicht bij deze landontginningen ontstonden nieuwe dorpen. De namen van deze dorpen eindigden vaak op -hout of -loo (= bos), -rade of -rode" (= opengekapte plaats in het bos). rechts: Tekening van een maaier met zeis in een psalmboek uit circa 1240 |
![]() |
Op den duur werd echter zoveel woeste grond ontgonnen, dat er volgens de inwoners van de dorpen in het oosten nauwelijks meer hakhout, varkensvoer en weidegrond meer overbleef. Zij probeerden daarom om nieuwkomers uit hun gebied te weren. Toch waren er nog heel wat bossen, moerassen en heidevelden over in ons land. Die zouden pas eeuwen later ontgonnen worden.
In het jaar 985 verkreeg graaf Dirk II van de koning een grote gebiedsuitbreiding en tevens de rechten op de wildernis: het reusachtige onontgonnen veengebied. Het werd voor hem lucratief om dit in cultuur te brengen. Door groei van de bevolking en het verloren gaan van landbouwareaal in de kuststrook was er behoefte aan landbouwgrond en door belastingen te heffen kon de graaf een graantje meepikken van de opbrengst. Een gelukkige bijkomstigheid was dat de tiende eeuw uitzonderlijk droog was waardoor de bovenlaag van het veengebied enigszins uitgedroogd en daardoor gemakkelijker te betreden was. Dirk II nam de grootschalige ontginning van het veengebied voortvarend ter hand. Stukken wildernis werden afgebakend en uitgegeven aan groepen vrije boeren, in ruil voor een kleine jaarlijkse vergoeding, de recognitietijns. De rechten en plichten van de pioniers werden gedetailleerd geregeld in een contract, de Cope. De term Cope herkent men nog in veel plaatsnamen in Holland en Utrecht, bijvoorbeeld Boskoop. Een zogenaamde Cope ontginning heeft steeds dezelfde structuur, die op veel plaatsen, met name ten noorden van de Oude Rijn nog in het landschap is terug te vinden. Om het moerasland in gebruik te nemen moest er eerst worden gezorgd voor een goede afwatering. Men ging vaak uit van een natuurlijk stroompje, dat eventueel werd gekanaliseerd. Loodrecht op deze ontginningsbasis groef men een stelsel van evenwijdige sloten het veengebied in. Omdat het veengebied hoger lag dan het omringende land, werd het water door het natuurlijk verval via sloten en veenriviertjes afgevoerd. De afmetingen van het ontgonnen land werd nauwkeurig bepaald met behulp van een lange meetstok: de roede. De kavels die zo ontstonden hadden een vaste breedte van 30 roeden en een lengte 360 roeden ofwel zes voorling. Een voorling was de afstand die men kon ploegde zonder de ploeg te keren. Was een ontginning succesvol, dan werden de kavels verlengd tot twaalf voorling; men spreekt van zes- en twaalf voorlinghoeven. In Rijnland maakte men gebruik van een roede met een standaardmaat van twaalf Rijnlandse voet. De lengte van deze zgn. Rijnlandse roede staat nog steeds aangegeven op de voorgevel van het stadhuis van Leiden: 3 meter 77. Bij de ontginning werd echter ook wel gebruik gemaakt van roeden met een andere lengte, zoals de koningsroede die slechts 10 voet lang was. De kavels waren hierdoor 94 tot 113 meter breed en, voor een twaalf voorlinghoeve ontginning, 2250 tot 2700 meter lang. Aan het einde van de ontginning werd vaak een dijkje (kade) aangelegd om te voorkomen dat water van het, hoger liggende, onontgonnen veengebied op het land voor problemen zou zorgen. De op deze manier gecreëerde landbouwgrond was geschikt voor het telen van graan. Dat de ontginning zeer succesvol was is af te leiden uit de zeer aanzienlijke bedragen die de graaf in de 13e eeuw ontving aan de belasting op graan (de korentiende) uit de ontgonnen wildernis. Zo succesvol was het systeem dat het werd geëxporteerd: in het begin van de 12e eeuw werden grote stukken wildernis in de buurt van de Duitse steden Bremen en Hamburg op deze wijze door Hollanders ontgonnen. In het westen gaf de graaf van Holland boeren de opdracht om grote delen van de moerassen in dit gebied droog te leggen en bewoonbaar te maken. Het eerst gebeurde dit in het gebied ten zuiden van de Maas. De graaf haalde er Friese boeren naar toe om het ontginningswerk op te knappen. Daarna gebeurde dat in het Hollands-Utrechtse moerasgebied. De opdrachtgevers waren rijke boeren, kooplieden en edelen. Zij betaalden de graaf, die de feitelijke eigenaar was van de grond, geld en kregen dan het gebied van de graaf in leen. Daarna trokken zij boeren aan die er zich als kolonisten wilden vestigen. Zij konden dan vrije boeren worden. Dat wil zeggen, dat ze waren vrijgesteld van herendiensten en dat ze hun stuk land later aan hun kinderen konden nalaten. Aan de eigenaar van het land moesten ze alleen pacht betalen. De pachtsom was een deel van de opbrengst van het land. Sommige dorpen in Holland hebben namen die eindigen op "coop", "koop" of "kop" (bijv. Hoenkoop, Boskoop). Deze namen herinneren aan het woordje "cope". Dat was de naam van de overeenkomst die de eigenaar van de grond met de boeren sloot. Veengrond houdt, net als een spons, veel water vast. Als je die grond wilt gebruiken, moet je dat water eerst kwijt. Dat kan door lange, rechte sloten op gelijke afstand van elkaar dwars door het veen te graven. Het moeraswater zakt dan in de sloten en de bovenste veenlagen komen droog. De boeren die een gebied gingen ontginnen begonnen echter eerst met het aanleggen van een weg dwars door het veenmoeras. |
|
De ontginningen waren mogelijk geworden door een van de grootste uitvindingen van onze geschiedenis: het afwateren van het veenland door sloten. Veengrond houdt, net als een spons, veel water vast. Als je die grond wilt gebruiken, moet je dat water eerst kwijt. Dat kan door lange, rechte sloten op gelijke afstand van elkaar dwars door het veen te graven. Het moeraswater zakt dan in de sloten en de bovenste veenlagen komen droog. Eerst werden er dwars door het veenmoeras twee lange rechte sloten naast elkaar gegraven. Met de uitgegraven grond werd de strook ertussen opgehoogd. Zo ontstond er een dijk. Met riet en takkenbossen werd deze dijk verstevigd en verhard, zodat karren en ossewagens erover konden rijden. Langs de dijken ontstonden langgerekte dorpen. Vervolgens werden loodrecht op de sloten langs deze weg kleinere sloten gegraven, steeds evenwijdig aan elkaar. Zodra het land minder drassig was, kapten de boeren de bomen en struiken die er groeiden en haalden de overgebleven wortels en stronken uit de grond. Via de sloten kon het regenwater dat op het land viel worden afgevoerd. Zo veranderde na verloop van enkele jaren het bruine moeras in groene weide. Door nog meer sloten te graven werd het land in vierkante vakken verdeeld, zodat het landschap van bovenaf gezien ging lijken op een dambord. Dat is nog steeds te zien als je vanuit een vliegtuig naar beneden kijkt. Op de droogste stukken legden de boeren akkers aan. Daarop verbouwden ze vooral graan. Het ontginnen was zwaar werk. Het enige gereedschap dat de boeren hadden was een houten schop. De boeren van de nieuwe ontginning waren echter nog niet klaar toe het veen ontgonnen was. Ze moesten de sloten geregeld uitbaggeren, anders kan het regenwater niet weg. Ze moesten ook de dijken goed onderhouden. Met de afwatering en ontginning van de moerasgebieden maakten de Hollanders en Friezen buiten de Lage Landen veel naam. Veel Hollandse en Friese boeren werden overgehaald om in het noorden van Duitsland hetzelfde te komen doen. Veel Hollanders emigreerden toen naar de streken rondom Bremen en Hamburg en naar de moerassige gebieden langs de Elbe en de Wezer. laatst gewijzigd: 19-10-03 |