5193 Lotharingen (900 - 977)

Lotharingen (870 - 900)

Gebhard van Lotharingen (hertog-regent), graaf in de Rijngouw (903 - 910)

Op 13 augustus 900 werd Zwentibold bij een poging zijn verloren koninkrijk terug te krijgen, in een veldslag aan de Maas bij Susteren. vermoord door Matfried (IV) en Gerhard (I) van Gulikgouw, die niet vergeten waren dat Zwentibold in 896 hun bezittingen had geconfisqueerd. 

Na de dood van Zwentibold leek Lodewijk lV zich tegen Reinier te keren, toen hij in 903 Gebhard van Franconië, van Franken of van (de) Lahngouw (Lahngau), het bestuur gaf over Lotharingen met de titel hertog. Tot een strijd tussen beide rivalen Reinier en Gebhard kwam het echter niet. In 908 overleed Sigard en herkreeg Reinier het graafschap Henegouwen. In 910 sneuvelde Gebhard bij Augsburg in de strijd tegen de Magyaren.

Na de dood van Lodewijk IV "het Kind" op 20 of 24 september 911 (hij was toen slechts 18 jaar) hield het koninkrijk Lotharingen op te bestaan. Het ging daarna wisselend op in het West-Frankische Rijk of Heilige Roomse Rijk. Het koninkrijk werd "gedegradeerd" tot hertogdom. Met de dood van Lodewijk het Kind was er ook een eind gekomen aan het Karolingische Huis. De adel van Lotharingen onder leiding van Reinier l van Henegouwen weigerde Lodewijks zijn opvolger Koenraad I van Franken trouw te zweren, maar erkenden zij Karel de Eenvoudige (898 - 923) van West-Francië als koning. 

Reinier l van Henegouwen (910 - 915) markgraaf van Lotharingen.

In 910 stelde Karel de Eenvoudige (898 - 923) van West-Francië Reinier aan als markgraaf van Henegouwen. Reinier wordt nergens genoemd als hertog van Lotharingen, maar was zeker de machtigste man in deze streken. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Giselbert of Giselbrecht II als graaf van de Maasgouw. In 928 werd deze hertog van Lotharingen.

Wigerich (Wigerik, Wigeric) paltsgraaf van Lotharingen (915 - 922/923)

Wigerich (of Wigerik: over de precieze spelling van zijn voornaam bestaat geen eenduidigheid; in het bronnenmateriaal. komen zowel Wigericus, Widericus, Windericus en Widiacus voor) wordt in een koningsbrief in 899 als één van de belangrijkste graven in Lotharingen vermeld. Hij was graaf van de Bitgouw (een Frankische gouw rond het stadje Bitburg in Rijnland-Palts) en van de Ardennengouw, graaf van Trier. Mogelijk was hij de zoon van Odacar van de Ardennengouw of van de Methingouw, Bid- en Bliesgouw en een broer van Frederik, abt van de rijksabdijen van Gorze und Saint-Vanne. 

Via zijn echtgenote Kunigunde van Henegouwen werd hij paltsgraaf van Lotharingen en vanaf 915/916, meer bepaald na de dood van Reinier I van Henegouwen in 915, nam hij als hertogregent /paltsgraaf van Neder-Lotharingen onder Karel de Eenvoudige (898 - 923) de militaire macht waar in Lotharingen.
Hij was ook voogd over de Sint-Rumoldusabdij van Mechelen en het klooster van Hastière en was de stichter van
de Sint-Hadelinusabdij van Hastière, waar hij waarschijnlijk ook begraven werd.

Zijn zoon Gozelo van de Ardennen (*914) werd graaf van de Ardennengouw. Zijn kleinzoon Godfried van Verdun zou hertog van Neder-Lotharingen worden (1012 - 996).

Wigerik was de stichter van de Sint-Hadelinusabdij van Hastière, waar hij waarschijnlijk ook begraven werd. Wigerik trouwde met Kunigunde van de Ardennen, kleindochter van Lodewijk de Stamelaar. Wigerich is de stamvader van de Huis Ardennen of de Wigerik-dynastie en van verscheidene hertogen van Neder- en Opper-Lotharingen uit de 10e en 11e eeuw. 

Links: Sint-Hadelinusabdij van Hastière

 

In 922 werd Karel lll de Eenvoudige afgezet door Robert Rudolf (Raoul, Rodolphe) van Bourgondië. Karel vluchtte naar Lotharingen, van waaruit hij probeerde Frankrijk te heroveren. Hij werd echter verraden in 923 door Herbert II van Vermandois die hem gevangen nam.

Tussen 922 en 925 maakte Hendrik l van Saksen (de Vogelaar) van de anarchie in West-Francië gebruik om Lotharingen met wapengeweld weer bij zijn rijk in te lijven. Vanaf 923 was Lotharingen opnieuw een deel van het H. Roomse Rijk. De Schelde werd de grens tussen het Duitse rijk en Frankrijk. Lotharingen gold wel als een apart geheel, met een eigen kanselier te Trier. Van een Lotharings saamhorigheidsbesef is toen, noch later ooit sprake geweest. Giselbert, de zoon van Reinier l zwoer hem trouw. In 923 werd het hertogschap opnieuw ingesteld en kreeg het statuut van koninklijk ambtsleen.

Onbekend (923 - 926)

Everhard lll van Franken (926 - 928)

Everhard lll van Franken, de jongere broer van koning Koenraad I van Franken werd in 923  aangesteld tot hertog van Lotharingen. Hij werd twee jaar later opgevolgd door:

Giselbert ll van de Maasgouw (928 - 939)

In 928 werd Giselbert van de Maasgouw, de zoon van Reinier l van Henegouwen door keizer Hendrik van Saksen verheven tot hertog van Lotharingen en uitgehuwelijkt aan zijn dochter Gerberga

Hendrik van Saksen had alleen in naam het oppergezag over het hertogdom Lotharingen. Na zijn dood in 936 bleek diens zoon Otto l ook werkelijke macht na te streven buiten zijn stamhertogdom Saksen. Giselbert ll sloot zich in 939 aan bij de opstand van Hendrik I van Beieren, de jongere broer van Otto en Everhard III van Franken en  erkenden zij Lodewijk lV van Overzee (ca. 936-954) van West-Francië als leenheer.  In de slag van Andernach aan de Rijn (939) werden Giselbert en zijn bondgenoten verslagen. Giselbert zelf verdronk bij zijn vlucht in de Rijn. Lotharingen was nu opnieuw onder gezag van de Duitse keizer. Otto l besloot de zaken nu anders te gaan aanpakken. Hij stelde sterke familieleden tot hertog van Lotharingen aan. Hij verzoende zich met Hendrik l van Beieren en stelde hem aan als hertog van Lotharingen.

Hendrik l van Beieren (939 - 940)

Hij werd door de Lotharingers verdreven en moest zijn hertogdom na een jaar teruggeven.

Otto van Verdun (940 - 944)

Otto, de graaf van Verdun, was de zoon van Ricuinus van Verdun. Hij kreeg tevens de voogdij over Hendrik, de zoon van Giselbert II van de Maasgouw, die in 939 bij zijn vlucht in de Rijn verdronken was.

Koenraad de Rode (944 - 953)

In 944 stelde Otto zijn schoonzoon Koenraad de Rode, graaf van Nahegouw, Speyergouw en Wormsgouw, die geen enkele betrekking had met deze streken aan als hertog. In 953 kwam deze echter zelf in opstand tegen zijn koning. Maar de Lotharingers volgden hem niet. 

Graaf Reinier lll van Henegouwen, een neef van Giselbert ll, keerde zich tegen Koenraad, niet omdat hij koning Otto trouw wilde blijven, maar omdat hij hoopte zo zijn familiebezittingen terug te krijgen. 

Bruno van Keulen (953 - 965)

Koning Otto besloot toen om zijn jongste broer Bruno te bekleden met de functie van aartsbisschop van Keulen en tegelijkertijd met de hertogelijke waardigheid in Lotharingen. Bruno kreeg ook het gezag over de bisdommen Luik en Kamerijk. Dit bleek en goede zet te zijn. Brun, die nu tot over Lotharingen zou regeren tot 965, onderhield goede betrekkingen met zijn oude leermeester bisschop Balderik van Utrecht, die van koning Otto vele voorrechten ontvangen had en slaagde erin Reinier lll te bedwingen en van zijn goederen te beroven. 

Afbeelding:Herzogtum Lothringen 1000.PNG

In 959 werd Lotharingen opgedeeld in de vice-hertogschappen Neder-Lotharingen (Lotharingia Inferior) en Opper-Lotharingen  (Loharingia Superior) onder het overstijgend hertogschap van Bruno, aartsbisschop van Keulen. In 977 zouden deze twee territoria volwaardige hertogdommen worden.

Neder-Lotaringen  waarvan de zuidgrens ruwweg samenviel met die van het tegenwoordige België - overigens volkomen toevallig - schijnt van 965 tot 977 geen eigen hertog te hebben gehad. De Saksische koningen zouden hier voortaan hun invloed doen gevoelden via de bisschoppen.

 Neder-Lotharingen (977 - 1100); Opper-Lotharingen (959 - 1100)

Gemaakt: 12-01-08; laatst bijgewerkt: 19-01-08

colofon