3753 Nabateeërs - Petra (1500 v. Chr. - 106 n. Chr.)
Ca. 1500 v. Chr. werden Jordanië, Syrië, Saoedi-Arabië en Zuid-Israël bewoond door de Nabateeërs. Zij dreven handel via de verschillende karavaanroutes. Onder andere de handel in wierook naar Jemen was belangrijk voor hen. De hoofdstad van de Nabateeërs was de stad Petra. Een andere belangrijke Nabatese stad was Ein Avdat (Israël)

De Nabateeërs legden ondergrondse waterkanalen of qanaten aan, die van (ondergrondse) bronnen in de bergen via tunnels naar droge landbouwgronden leiden. Vermoedelijk de Nabateeërs ten onder gegaan zijn door aardbevingen, waardoor de watertoevoer naar de stad werd afgesneden. Hun koninkrijk werd in 106 werd ingelijfd in het Romeinse Rijk door keizer Traianus

Wadi Rum (Zuid-Jordanië) nabij Petra in het land van de Nabateeërs.

Vanuit een goed verborgen standplaats beheersten Nabateeërs de handelsroutes van het oude Arabië. In ruil voor tolgeld beschermden zij de karavanen die hier langstrokken met Indische specerijen en zijde, Afrikaans ivoor en Afrikaanse dierenhuiden en wierook uit Jemen. Petra was het knooppunt van verschillende handelsrouten. De belastingopbrengsten van de handelaars heeft de heersers van Petra schatrijk gemaakt, wat te zien is aan de gebouwen en grafmonumenten. Overal roemde men de schoonheid van de stad Petra, omwille van haar verfijnde cultuur, haar massieve architectuur en het goed uitgebouwde watersysteem met dammen en kanalen. Verschillende gangen en trappen leiden naar honderden gebouwen, gevels, graven, badhuizen en tempels. Al Deir het klooster is het grootste rotsmonument van Petra, werd gebouwd in de 1e eeuw. Andere monumenten zijn het Al-Mahlama (het urnengraf), het Korintisch grafmonument, de Al Deir en het paleisgraf.

Rechts: ruïnes van de Nabatese stad Ein Avdat

De stad van Petra ligt in een 2 kilometer lange enge en diepe woestijnkloof, de 'Siq' die duizenden jaren geleden door riviererosie uit de aarde werd weggesneden. Het belangrijkste monument van Petra, het in de rotsen uitgehakte Schattenhuis ook wel De schat van de Farao genoemd (El-Khazneh Firaum), verschijnt op dramatische wijze aan het einde van de Siq. 

Deze graftempel werd gebouwd in 84 v. Chr. en 85 v. Chr., waarschijnlijk in opdracht van koning Aretas III van de Nabateeërs. De voorgevel , uitgevoerd in een dubbele Corinthische orde, is 40m hoog en 25 meter breed. 

Links: El-Khazneh Firaum (Schattenhuis)

Koningen van de Nabateeërs waren o.a. Rabel l (ca. 295 v. Chr.), Aretas l (ca. 167 v. Chr.), Aretas ll (120/110 - 90 v. Chr.). In zijn tijd werden de betrekkingen met het Hasmonese koninkrijk verbroken en er brak oorlog uit. Aretas verloor zijn belangrijkste haven Gaza aan zijn joodse buren. Aretas werd opgevolgd door Obodas I (96 - 85 v. Chr.). Hij erfde een oorlog met het Hasmonese koninkrijk. Hij versloeg de buren ca. 93 v. Chr. op de Golan. Dit leidde ertoe dat Alexander Jannaeus -die ook bedreigd werd door de Seleuciden- vrede met hem sloot. Moab en Gilead werden terggegeven. De toegenomen macht van het hof in Petra begon de Seleuciden zorgen te baren en Antiochus XII leidde in 88 v. Chr. en het jaar erop twee veldtochten tegen Obodas. Deze wist echter de invallers de Negev in te lokken en vernietigend te verslaan. Na zijn dood werd Obodas als godheid vereerd. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Aretas III Philhellenos (84 - 62 v. Chr.)

In tegenstelling tot zijn vader was deze niet erg opgewassen tegen de agressie van Alexander Jannaeus. De joodse koning versloeg hem in 82 v. Chr. en zo zag Aretas zich gedwongen 12 steden in Moab en Edom en enige kuststeden langs de Middellandse Zee af te staan. Na de dood van koningin Alexandra in 67 v. Chr. was er onenigheid aan het hof van Jeruzalem. Hyrcanus II en zijn broer Aristobulus II betwistten elkaar de troon. Aretas zag zijn kans schoon toen Hyrcanus het hof in Petra als ballingsoord koos en om steun vroeg tegen zijn broer. Aristobulus werd verslagen en Aretas en Hyrcanus begonnen een beleg van Jeruzalem.

De Romeinen, die dit als een kans zagen invloed op het gebied te verkrijgen, bemoeiden zich er echter mee en dwongen Aretas het beleg op te breken. Aristobulus achtervolgde Aretas en versloeg de Nabateeërs in 64 v. Chr. in het dal van de Jordaan. Aristobulus maakte daarna de fout om de Romeinen voor het hoofd te stoten en dezen verbonden zich daarna met Hyrcanus. Toch trokken zij in 62 v. Chr. op naar Petra. Aretas besloot om eieren voor zijn geld te kiezen en betaalde schatting. De legaat Marcus Aemilius Scaurus liet ter gelegenheid hiervan een munt slaan met Aretas geknield voor zijn kameel.

Aretas werd waarschijnlijk opgevolgd door Obodas II (61 - 58  v. Chr.). Van hem zijn alleen een aantal munten van zijn regeringsjaren 1,2 en 3 gevonden.  

In 58 v. Chr. volgde Malichus I (58 - 28 v. Chr.) hem op. In zijn tijd werd de dreiging van een Romeinse annexatie steeds groter. Malichus steunde eerst Julius Caesar met troepen toen deze in Alexandrië moeilijkheden had. Later echter zocht hij aansluiting bij de Parthen en kreeg een zware belasting opgelegd toen de Parthen in 39 v. Chr. verslagen werden. In de tijd van Marcus Antonius en Cleopatra wedde hij opnieuw op het verkeerde paard. Hij steunde Cleopatra, maar na haar nederlaag bij Actium trachtte hij Octavianus gunstig te stemmen door haar vloot in de Golf van Suez in brand te steken. Na de Romeinse overname van Egypte in 30 v. Chr. zaten de koningen in Petra en Jeruzalem ingeklemd tussen de Romeinse provincies Syria en Egypte. Herodes de Grote, die door Rome op de troon van Judea gezet was nam Malichus een aantal belangrijke steden af. Malichus droeg een verkleind koninkrijk over aan zijn opvolger Obodas III (28 - 9 v. Chr.). Hij was een voorzichtig man die besefte dat hij tegen de groeiende macht van de Romeinen niet veel kon uitrichten. Hij probeerde daarom zo veel mogelijk buiten de verwikkelingen met het buitenland te blijven en goede betrekkingen met de machtige Romeinen te onderhouden. Dit betekende wel dat zijn koninkrijk steeds meer buiten de handelsroutes kwam te liggen. Hoewel de Arabische veldtocht van Aelius Gallus, de prefect van Egypte op het Arabische schiereiland op een ramp uitliep, verarmde het hof in Petra omdat het alleen nog de landwegen beheerste. 

Obodas werd opgevolgd door Aretas IV (9 v. Chr. - 40 n. Chr.) Dit was waarschijnlijk niet zijn zoon. Wie hij precies was is niet duidelijk behalve dat zijn eigenlijke naam Aeneas was. Hij verhief zichzelf tot koning zonder de toestemming van keizer Augustus te vragen en deze weigerde hem daarom aanvankelijk te erkennen. Onder hem bereikte - ondanks de dreigende politieke toestand -  het Nabateese koninkrijk zijn culturele hoogtepunt. Aretas werd opgevolgd door zijn zoon  Malichus II (40 - 70). Hoewel zijn koninkrijk niet meer dan een vazalstaat van het Romeinse Rijk was heerste er in zijn tijd vrede en voorspoed.Malichus werd opgevolgd door zijn zoontje Rabel II (40 - 106). Toen hij zijn vader opvolgde was hij nog maar een kind. Zijn moeder Shaqilat nam zo'n jaar of vijf het regentschap waar. In zijn tijd werd de stad Bosra in het zuiden van Syrië steeds belangrijker en was het Nabatese koningschap niet meer dan een titel bij gratie van het keizerlijk hof van Rome. In 106 besloot keizer Trajanus het rijk in het oosten uit te breiden en te reorganiseren. 

In dat jaar veroverde hij het Nabatese rijk. Bozrah - Petra werd onder de naam Nova Trajana Bostra de hoofdstad van de Romeinse provincie Arabia Petraea. De stad bloeide op als handelsstad met diverse karavaanroutes, waaronder één naar de Rode Zee.  

De stad Petra bloeide op als handelsstad met diverse karavaanroutes, waaronder één naar de Rode Zee. Later werd Petra de zetel van een bisdom, maar in 551 was de stad het toneel van zowel een beleg en inname door de Byzantijnen op de Perzen en van een vernietigende aardbeving. 

In de 7e eeuw werd de stad door de de Arabische Omayaden veroverd. Nadien ging het snel bergafwaarts met de stad. De handelsroute door Petra werd vervangen door de scheepvaart over de Rode zee. De stad werd verlaten en verviel tot een ruïne. Tijdens de 16e eeuw ging Petra volledig verloren voor het Westen, een situatie die bijna 300 jaar lang duurde. In het jaar 1812 slaagde de Zwitser Johann Ludwig erin om zijn gids te overtuigen hem naar de met sagen en legenden omgeven verloren stad Wadi Musa te brengen. In het geheim maakte hij schetsen en aantekeningen waarin hij schreef : "..het is goed mogelijk dat de ruïnes van Wadi Musa die van de antieke stad Petra zijn.

Gemaakt: 02-05-06

colofon