2031

Caracalla (211 - 217 n. Chr.)

Septimus Severus (193 - 211)

Na de dood van Septimus Severus in 211 n. Chr. werd de volgende 24 jaar het bewind gevoerd door zijn zoons en andere bloedverwanten. De eerste troonopvolgers waren Severus' beide zonen Caracalla en Geta.

rechts: Geta

De oudste zoon van Septimus Severus staat bekend onder de naam Caracalla, een naam die ontleend was aan zijn lievelingskledij, de Gallische capuchonmantel. Hij was in Gallië geboren. Zijn vader, Septimus Severus,  was uit Afrika afkomstig en zijn moeder uit Syrië. De vrucht van hun huwelijk was, zo heeft men gezegd - een vereniging van de zwakste kanten van drie verschillende volkeren: Afrikaanse woestheid, Syrische sluwheid en Gallische lichtzinnigheid. Enkele maanden lang leefde de wereld in spanning. Wie van beide broers zou de ander vermoorden? Zij hadden nooit in vrede met elkaar kunnen leven, reeds als kinderen hadden zij elkaar gehaat. Gezien hun dominante karakters, was een conflict tussen de twee broers bovendien ook onvermijdelijk, hoewel er nog even sprake van is geweest dat de broers het rijk onder elkaar zouden verdelen: Caracalla zou het westen besturen vanuit Rome en Geta het oosten vanuit Antiochië of Alexandrië. Maar dit plan heeft men klaarblijkelijk snel laten varen, wat het rijk het vooruitzicht op een tweede bloedige burgeroorlog bespaarde. 
Weldra deed het gerucht de ronde dat Caracalla had getracht zijn broer uit de weg te ruimen. Maar Geta werd te goed bewaakt. Op zekere dag was hun moeder echter onvoorzichtig genoeg, haar beide zoons bij elkaar te brengen om een verzoening tussen hen beiden te ensceneren. Van die gelegenheid maakte Caracalla gebruik. Op zijn wenk stormden enkele mannen uit zijn gevolg de kamer binnen en staken Geta neer, die stervend in de armen van zijn moeder viel.  "Moeder die mij baarde, help mij. Ik word vermoord" waren zijn laatste woorden.

Caracalla heiligde het zwaard, waarmee de broedermoord was volbracht, door het aan een tempel ten geschenke te geven. Eenmaal aan de macht gekomen, liet Caracalla tienduizend potentiële tegenstanders vermoorden. Twintigduizend mensen zouden er op zijn last zijn gedood, onder het voorwendsel dat zij aanhangers van Geta waren. 

Niettegenstaande zijn onbekwaamheid en onbetrouwbaarheid wist Caracalla de Pretorianen aan zich te binden door hun soldij aanmerkelijk te verhogen. De middelen verschafte hij zich aanvankelijk uit de bezittingen van de 20.000 slachtoffers van het grote bloedbad. Op den duur waren die echter niet toereikend. Bovendien waren de bedragen om de barbaarse stamhoofden ervan af te houden de grens op de zwakke punten aan te vallen, dermate hoog, dat de keizer andere bronnen moest zien aan te boren. Een daarvan was het voortzetten van de gelddevaluatie, welke onder zijn onmiddellijke voorgangers begonnen was; een andere, de in 212 tot stand gekomen maatregel, waarbij aan nagenoeg alle vrije mannen in het gehele rijk het Romeinse burgerrecht werd verleend, zodat aan de provincies voortaan dezelfde belastingen konden worden opgelegd als aan Italië. 

In de derde eeuw hadden de grensgebieden in Germanië en aan de Donau een eigen, verfijnde cultuur ontwikkeld, maar in de beroeringen van de derde en vierde eeuw richtten de barbaren uit het noorden onherstelbare verwoestingen aan.
Tijdens het bewind van keizer Caracalla, in 213, werden in Zuidwest-Duitsland voor het eerst de Alamannen gesignaleerd. In 215 werden zij door Caracalla, die zich de eretitel Alamannicus gaf, tot staan gebracht.

Geheel in de ban van de veroveringen van Alexander de Grote lijkt Caracalla het plan te hebben gehad een omvangrijke veroveringscampagne in het oosten te beginnen. Voor hij daartoe al te veel voorbereidingen had kunnen treffen, werd hij vermoord door de prefect van de Pretoriaanse Garde, Marcus Macrinus, die nu keizer werd (217). 

Marcus Macrinus (217 - 218 n. Chr.)

laatst bijgewerkt: 21-07-02

colofon