2870

Septimius Severus (193 - 211)

Marcus Didius Julianus (193 n. Chr.)

Na de moord op senator Marcus Didius Julianus schoven de troepen te Carnuntum in het roerige Rijn-Donau-grensgebied de generaal en gouverneur van Boven-Panonië, Septimius Severus, naar voren als kandidaat voor het keizerschap. Zijn aanspraken op de troon bleven echter niet onbetwist. In het oosten wierp Pescennius Niger zich op als pretendent, gesteund door het leger aan de Eufraat, maar hij werd verslagen en de stad Byzantion, die zich achter hem had geschaard, werd verwoest (194). Ondertussen stak de gouverneur van Brittannia, Clodius Albinus, naar Gallië over, waar hij een groot leger bij elkaar vormde om zijn aanspraken kracht bij te zetten.

In 195 doopte Septimius Severus zijn oudste zoon om tot "Marcus Aurelius Antoninus" (later beter bekend bij zijn bijnaam "Caracalla") en riep hem uit tot Caesar i.p.v. Clodius Albinus. Deze werd door zijn legioenen in Britannia en Gallia tot keizer uitgeroepen en door de Romeinse senaat tot staatsvijand verklaard. Langs de noordgrens van Brittannia, werden door de barbaren na Albinus' mislukte machtsgreep op grote schaal verwoestingen aangericht. In 197 werd Albinus in de buurt van Lyon verslagen en de stad werd verwoest.

Septimius Severus beperkte de invloed van de Senaat en brak de macht van de Pretoriaanse Garde en kreeg zo de absolute macht. Zijn krachtige, autocratische bewind verzwakte de positie van de Senaat.

rechts: Lucius Septimius Severus

De keizer had nu alleen het beheer over de financiën en trok het recht aan zich de provinciegouverneurs te benoemen, maar de hervormingen die hij in de rechtspleging doorvoerde, zouden verstrekkende en gewelddadige invloed hebben op met name de armere leden van de maatschappij. Septimius Severus, afstammeling van Phoenicische kolonisten en getrouwd met een Syrische prinses, voelde weinig binding met de tradities van Rome. Als eerste keizer uit de provincie Afrika, was hij er voornamelijk op uit de troon voor zichzelf en zijn nakomelingen veilig te stellen. In 197 vereisten moeilijkheden in het oosten een expeditie tot diep in het Parthische rijk. De campagne was snel en zeer geslaagd en leverde Rome een nieuwe provincie op: Noord-Mesopotamië. 
In 204 werd in opdracht van de senaat op het Forum Romanum de Boog van Septimius Severus gebouwd. Het was een geschenk aan de keizer en zijn zonen Caracalla en Geta ter ere van de twee overwinningen op de Parthen in 195 en 197 en het "herstellen van de orde in het Romeinse Rijk". De boog is versierd met 8 en diverse afbeeldingen van overwonnen volkeren. Boven de zijdoorgangen hangen vier grote friezen die de overwinningen van Severus in het oosten afbeelden. Op oude munten uit de tijd van Septimius Severus en Caracalla is te zien dat bovenop de boog een beeldengroep van een strijdwagen met vierspan heeft gestaan. Hierin stond Severus samen met de godin Victoria en zijn zonen Caracalla en Geta. Boog van Septimius Severus - Wikipedia

In Septimius Severus kreeg Rome weer een keizer die eenvoudig en sober leefde. Hij bleek een wilskrachtig, plichtsgetrouw heerser en een bekwaam organisator. Hij was een Afrikaan uit Leptis Magna, wiens moedertaal Punisch was. Men zei zelfs van hem dat hij zijn Latijn met een sterk accent sprak. Hij was bovenal militair en een man van heftige reacties. Nog voor zijn grootse intocht in Rome lokte hij de pretorianen onder een voorwendsel uit hun kamp en stuurde hen, nadat zij waren ontwapende naar huis gestuurd. Hun plaatsen werden voortaan ingenomen door legioensoldaten. Zijn soldaten ontvingen uiteraard, een royale geldelijke beloning, maar een bescheiden bedrag vergeleken met de beloften van Pertinax en van Julianus aan de garde: 1000 sestertiën de man. 

Het kardinale grondbeginsel waarop Septimius Severus  (193-211) zijn regering bouwde was heel eenvoudig: "Maak de soldaten rijk", adviseerde hij zijn zoons, die hem zouden opvolgen, "en heb lak aan alle overige mensen". Niettegenstaande dat was Severus een bekwaam bestuurder en een voortreffelijk soldaat. Gezien de problemen waarmee hij op beide terreinen te kampen had, deed hij het redelijk goed. 

De schatkist was uitgeput geraakt door de veldtochten van Marcus Aurelius. De staatskas zou een probleem, een struikelblok vormen voor alle komende regeerders. Marcus Aurelius had de zaak verslechterd door de Romeinse valuta met 25% te devalueren en door de keizerlijke fiscus (schatkist) aan te spreken om over meer geldmiddelen te kunnen beschikken. Severus devalueerde het geld nog eens met 25% en voerde nieuwe belastingen in. Een andere inkomstenbron was de algehele verbeurdverklaring van bezittingen van politieke vijanden of burgers die moeilijk te bewegen waren de veldtochten van de keizer financieel te steunen. Maar geen van deze maatregelen mocht baten. De vredestijd had Rome voorspoed gebracht, de tijd van oorlog bracht economische en sociale moeilijkheden waar geen enkele keizer een oplossing wist te bieden. De steeds weer nieuwe belastingverhogingen, waar de oorlog om vroeg, betekende een onherstelbare slag voor de financiële positie van de gewestelijke steden en ook van de burgers afzonderlijk. Paradoxaal genoeg leidden de belastingverhogingen juist tot vermindering van de staatsinkomsten. Het aantal armen nam toe. Om hun nood te lenigen en de heersende onrust te kunnen bedwingen, liet Severus brood en andere levensmiddelen uitdelen. Dit betekende nog eens onmogelijke offers vragen van het kapitaal van de keizer. 

Een dringende kwestie was de verdediging van de grenzen. Aan de noordelijke rijksgrenzen bleven de Germaanse stammen druk uitoefenen. Verschillende stammen sloten zich aaneen onder leiding van machtige koningen en vielen steeds vaker de verzwakte versterkingen langs de Rijn en Donau aan. Een halve eeuw lang zou er ononderbroken strijd worden gevoerd om de verdediging van de grenzen. 

Severus voegde drie nieuwe legioenen toe aan het bestaande leger en zag zich genoodzaakt ook "barbaren" op te nemen in het leger. Tevens verhoogde hij de soldij en verzachte hij een aantal strenge legerbepalingen. Hierdoor werd de krijgstucht en de eens zo befaamde legerkracht ondermijnd. Zij kregen niet alleen allerlei voorrechten, maar kwamen, nadat zij de legerrangen hadden doorlopen, terecht in hoge burgerlijke functies. Op den duur bestond het merendeel van alle topambtenaren uit ex-militairen. De meeste van hen waren, net als Severus zelf, afkomstig uit de provincie, d.w.z. het oosten en Afrika. Aan de oude Romeinse tradities hadden zij lak en streefden er naar de provincies en gewestelijke steden gelijk te stellen met Italië. 

Severus' harde bewind betekende een keerpunt in de Romeinse geschiedenis. Macht en legitimiteit konden met bruut geweld worden verkregen. Edward Gibbon geeft de volgende karakteristiek: "Severus' tijdgenoten vergaven hem in het genot van de vrede en de glorie van zijn bewind de wreedheden waarmee het was gevestigd. Het nageslacht dat de wrange vruchten plukte van zijn stelregels en voorbeeld, heeft hem terecht gezien als de voornaamste bewerkstelli-ger van het verval van het Romeinse rijk.

In zijn geboortestad Leptis Magna in de provincie Africa liet Septimius Severus in 203-204 een triomfboog oprichten, waarbij hij voor het reliëfwerk een beroep deed op Hellenistische ambachtslieden uit Klein-Azië. Septimius staat op zijn strijdwagen met zijn beide zoons Caracalla en Geta.

Septimus Severus was in 187 getrouwd met Julia Domna (170-217), geboren in de Romeinse provincie Syrië als dochter van Iulius Bassianus, hogepriester van de El Gebal zonnegod cultus van Emesa. Septimus Severus en Julia Domna kregen twee zonen, Caracalla en Geta. Toen Septimius Severus in 193 door de senaat tot keizer werd uitgeroepen, kreeg zij de titel Augusta (keizerin). Zij reisde met haar man mee op zijn veldtochten en kreeg daarom in 195 de titel Mater Castrorum (moeder van de forten of legerkampen). Zij werd de machtigste vrouw die het Romeinse keizerrijk gekend heeft. Na de dood van Septimius Severus in 211, kende de senaat haar de tot dan toe ongekende en grandiose titels Mater Senatus en Mater Patriae toe (Moeder van de Senaat en Moeder des Vaderlands). Toen haar zoons beiden keizer waren geworden, was hun walging voor elkaar zo groot geworden dat ze besloten het rijk te verdelen in een oostelijk, met Geta als keizer, en westelijk deel, met Caracalla als keizer. Iulia Domna kwam echter tussenbeide en verhinderde de splitsing ("Jullie kunnen misschien het rijk wel tussen jullie verdelen, maar niet jullie moeder!"). In december 211 werd zij door Caracalla verraden nadat zij op zijn voorstel een ontmoeting tussen haar twee zoons had geregeld zogenaamd om de geschillen bij te leggen. Maar na Geta's aankomst werd hij voor haar ogen, waarschijnlijk zelfs in haar armen door Caracalla's soldaten vermoord. Toen uiteindelijk tijdens haar verblijf in Syrië, ook haar oudste zoon werd vermoord, was zij wanhopig en overwoog zelfmoord maar zag er van af toen Macrinus haar te kennen gaf dat zij haar titels kon behouden. Zij begon echter een campagne tegen Macrinus die haar daarop naar Rome verbande. Daar aangekomen met de as van haar zoon, pleegde zij zelfmoord door hongerstaking.

In 209 vertrokken Septimius Severus en zijn zoon Caracalla naar Brittannië om een einde te maken aan de vernielingen die aan de noordgrens door de barbaren werden aangericht. Dankzij een reeks briljante veldtochten slaagden zij erin de Picten terug te drijven, waarbij ze tot ver in Noord-Schotland doordrongen. Het waren zware campagnes en in 211 overleed de keizer in Eburacum (York), waar hij voorbereidingen aan het treffen was om de grens te versterken. "Ik ben alles geweest en het was allemaal voor niets" waren zijn laatste woorden. Een Romeins historicus bericht dat Severus op zijn sterfbed zijn beide zoons de volgende uiterst cynische raad gaf: Vermijd tweespalt, maak de soldaten rijk en bekommer je niet om de anderen.

Caracalla (211 - 217 n. Chr.)

laatst bijgewerkt: 13-05-07

colofon