2581 |
|
![]() Nadat De Menapiėrs (Lat.: Menapii), waren een Belgische, van oorsprong Germaanse stam, die ten tijde van de Gallische oorlog woonde in de Schelde-, Maas- en Rijndelta, en die ook ten noorden van de Rijn bezittingen had. Onder keizer Augustus gaven zij hun naam aan één van de civitates van Gallia Belgica. Bij het interpreteren van de oude gegevens moeten we er rekening mee houden dat de kustlijnen en de Delta er ten tijde van Caesar's veroveringen anders uitzagen dan nu (de Westerschelde b.v. bestond nog niet en de smalle Schelderivier mondde uit in de Maas) en dat de toestand later nog geregeld veranderde. |
![]() |
Het grondgebied van de Menapiėrs grensde ten tijde van Caesar in het oosten aan dat van de Eburonen en de Nerviėrs, in het zuiden aan dat van de Morini, waarmee ze meestal samen worden genoemd. Ze bewoonden een onherbergzame streek, waardoor de bevolkingsdichtheid klein was: zij brachten in 57 v. Chr. 9000 strijders op de been, de Morini b.v. 25.000, de Nerviėrs 50.000. De Schelde lijkt de grens te zijn geweest met stammen zoals de Nerviėrs. De latere civitas Menapiorum lag meer naar het zuiden en had als hoofdstad Castellum Menapiorum (Kassel, N.-Fr.). In de late keizertijd wordt dat de civitas Turnacensium met als hoofdplaats Doornik/Tournai (Turnacum). De grenzen bleven bewaard in die van het middeleeuwse bisdom Doornik.
De Menapii waren kustbewoners en beschikten over boten. Hun gebied was bosrijk en moerassig en daardoor voor de Romeinse legioenen haast ontoegankelijk. Strabo deelt het interessante detail mee dat deze bossen geen grote bomen bevatten, maar dicht waren en "doornig". Dat er aan landbouw werd gedaan, blijkt meermaals uit de teksten. De Menapiėrs hadden op de andere oever van de Rijn "akkers, boerderijen en woonkernen". Caesar vertelt hoe hij hun oogsten en huizen vernielde aan de zuidelijke grens. De bevolking zelf bracht zich, telkens wanneer Caesar probeerde hen definitief te onderwerpen, met bezittingen en veestapel, in veiligheid in de onherbergzame moerasbossen, waarin het leger niet kon doordringen. In 53 v.Chr. echter slaagde Caesar erin hun schuiloord te bereiken met vijf legioenen: hij viel langs drie zijden aan, stak gebouwen en oogsten in brand en maakte veel vee en mensen buit, waardoor de Menapiėrs zich overgaven. Hij liet de Atrebaat Commius met ruiterij ter plaatse en vertrok zelf naar de Treveri. Het ging om een afschrikkingsactie ter voorbereiding van de vernietigingsoorlog tegen de Eburonen. Caesar wou beletten dat Ambiorix zich bij de Menapiėrs, zijn buren, ging verschuilen. In boek VII vernemen we dat Caesar de Morini aan Commius had "gegeven". Van de Menapiėrs is dan geen spraak. Zij worden ook niet vernoemd onder de stammen die manschappen leverden voor het ontzettingsleger van Alesia, hoewel Commius die Caesar afvallig was geworden bij de recrutering een belangrijke rol speelde.. Bron: Menapiėrs - Wikipedia |
Van de gebeurtenissen in het jaar 56 v. Chr. gaf Julius Caesar het volgende ooggetuigenverslag. Hij schreef dit verslag in de derde persoon om het een "objectief" karakter te geven. "De tegenstanders gingen heel anders in hun oorlogvoering te werk dan de overige Galliërs. Ze hadden namelijk in de gaten dat de grootste volken door ons op de vlucht waren gejaagd en onder de voet waren gelopen, zodra die het op een directe krachtmeting hadden laten aankomen. Daarom trokken zij met hun hele hebben en houden naar de aangrenzende bos- en moerasgebieden waarover zij beschikten. Toen Caesar de plek had bereikt waar dit woud begon en een kamp begonnen op te zetten - er was nog geen vijand gesignaleerd - stormden zij onverhoeds van alle kanten uit het bos tevoorschijn en vielen onze soldaten aan. Onze mannen, die op verschillende plaatsen bezig waren het kamp op te bouwen, grepen onmiddellijk de wapens en dreven hen in de wouden terug. Daarbij verloren zij slechts een paar eigen mensen, terwijl ze een flink aantal vijanden ombrachten. Ze achtervolgden hen ook nog een eind op een bijna ontoegankelijk terrein. Tijdens de dagen die Caesar nog restte, liet Caesar doorlopend bossen kappen. Daarmee wilde hij elke aanval van opzij voorkomen wanneer de manschappen niet volledig bewapend waren en niet op een gevecht waren bedacht. Hij liet al het gekapte hout links en rechts opstapelen als een soort verdedigingswal, de boomtoppen richting vijand gekeerd. Toen men zo binnen enkele dagen in een ongelooflijk tempo een heel stuk verder was gekomen en onze manschappen al vat kregen op het vee en het achterste stuk van de bagagetros van de vijand, zochten die hun heil in wouden die nog dichter waren. Vlak daarop begon echter zo'n noodweer dat we gedwongen waren het kapwerk te onderbreken. Door de aanhoudende regen konden onze soldaten bovendien niet langer onder de tenthuiden bivakkeren. Daarom leidde Caesar zijn leger terug, niet zonder eerst al het akkerland van de vijand te hebben vernietigd en hun gehuchten en huizen in brand te hebben gestoken. Hij bracht zijn leger onder in winterkwartieren in de gebieden van de Aulerken en de Lexoviers, respectievelijk tussen de Seine en Loire in Normandië en nog wat andere stammen die nog zeer kort geleden strijd tegen hem hadden gevoerd." laatst bijgewerkt: 24-10-06 |