3420 |
Bataven (ca. 50 v. Chr. - ca. 250 n. Chr.) |
Klik hier voor het frame van de pagina Volgens de overlevering zijn de Bataven een afsplitsing van een Westgermaans - Gallische stam, de Chatti (Chatten). Tussen 50 en 30 v. Chr., vestigden zij zich na een binnenlands conflict op aandrang of uitnodiging van de Romeinen vanuit hun woongebied in Noord-Hessen in het gebied tussen de Maas en Rijn (Batua - Betuwe) en in het noordoosten van het tegenwoordige Noord-Brabant. Omdat dit gebied links van de Rijn lag, rekende de Romeinen het indertijd tot hun territorium. En zoals bij ieder volk dat zich op hun grondgebied vestigde, legden de Romeinen hun onderlinge betrekkingen met de Bataven vast in een verdrag. De Bataven waren hiermee vrijgesteld van normale verplichtingen, zoals belasting betalen, maar tegenover stond wel dat ze troepen moesten leveren aan het Romeinse leger. Volgens sommige verhalen maakten Bataafse soldaten ook deel uit van de bereden lijfwacht van de keizers in Rome; daar vielen ze sterk op door hun grote gestalte en blonde of rossige haardos. |
![]() |
Links: Paard en ruiter op een kalkstenen reliëf van een grafmonument, gevonden in Nijmegen. Eind 1ste eeuw na Chr. collectie Museum Het Valkhof. |
De Bataven leefden van landbouw en veeteelt en stonden bekend als goede ruiters en paardenfokkers. Een Romeinse geschiedschrijver noemde hen Batavi. In plaats van het betalen van belastingen verplichtten zij zich hulptroepen te leveren om het gebied te kunnen verdedigen. Bataafse edelen werden in de gelegenheid gesteld officier te worden in het Romeinse leger. Onder de Bataven werd bijzonder intensief voor de Romeinse hulptroepen gerekruteerd. Ze leverden negen cohorten, een afdeling ruiterij, de lijfwachten voor de Julisch-Clauische keizers. En dan waren er nog de talloze Bataven die dienst deden in niet naar etnische herkomst samengestelde onderdelen. De rekrutering begon al vóór keizer Het godsdienstig centrum van de Bataven lag in het huidige Nijmegen (afgeleid van Novio Magusanus), waar twee tempels aan de god Magusanus aan hem waren gewijd. ( De betrekkingen tussen de Bataven en Romeinen werden grimmig toen in de jaren 69 en 70 na Chr. de Bataafse opstand uitbrak. Juist door die periode zijn er veel verhalen over de Bataven overgeleverd, want de geschiedschrijver Tacitus heeft hiet uitvoerig verslag van gedaan. Hij schrijft hoe Romeinse militairen zich te buiten gingen aan brute ronselpraktijken en zich zelfs vergrepen aan Bataafse jongens.Ook vertelt hij hoe de Bataafse legerleider Civilis valselijk beschuldigd van rebellie gevangen werd gezet in Rome. Na zijn vrijlating gingen de Bataven massaal in verzet. Ze verdreven de Romeinen heel snel van hun grondgebied, maar na een maandenlange strijd, die tot in Duitsland toe werd gestreden, leed Civilis uiteindelijk de nederlaag. Hij was gedwongen de hoofdplaats oppidum Batovorum op te geven en stak de plaats in brand. Vlak bij die plaats ontstond daarna Noviomagus, dat als stad met stadsrechten een plek kreeg in het Romeins staatsbestel. Na de opstand (69-71 n. Chr.) bleven de Bataven in het gebied wonen op het Bataveneiland tot in de tweede eeuw. Maar de Romeinen zonden de mannen die zij onder de Bataven rekruteerden naar ver afgelegen streken, als Brittannië, Pannonia (Hongarije) en Dacia (Roemenië). Recente bodemvondsten hebben veel duidelijk gemaakt over de Bataven en hun relatie tot de Romeinen. Gevonden werden onder meer: bouwfragmenten, beeldjes, wapens, sieraden, huisraad, amforen en munten. Interessant materiaal hebben de vele grafvelden geleverd die in het gebied zijn gevonden. De Bataven cremeerden hun doden en hielden die traditie tot ver in de tweede eeuw in stand. Een gewone boer kreeg een enkele pot of kruik met voedsel of drank mee. Maar belangrijke personen, die waarschijnlijk hadden kunnen profiteren van de goede relaties met de Romeinen, gingen het graf in, vergezeld van kostbare, Romeinse voorwerpen. Het rijkste graf, dat bij Esch is aangetroffen, is van een vrouw en dateert uit omstreeks 225 na Chr. Het bevatte ongeveer 40 voorwerpen, waaronder glaswerk, mooi bewerkte sieraden en vaten, gevuld met wijn en voedsel. Bijzonder is vooral een kunstig gebeeldhouwd barnstenen Bachusbeeldje. Het stelt de god van de wijn voor, ondersteund door een sater. De achtergrond bestaat uit wijnranken met goed gevulde druiventrossen. Het beeldje zou symbool staan voor de tostand van zorgeloosheid in het hiernamaals. Omstreeks 250 staken de Germaanse legerhordes (Franken en Alamannen) ergens boven Keulen de Rijn over en dringen rovend en plunderend Gallië binnen. De weerloze bewoners van de landgoederen vluchtten naar de steden en menig herenboer zag zijn villa achter zich in vlammen opgaan. De Grote Volksverhuizing was begonnen. Uit Azië werden snel versterkingen opgeroepen, maar die hulp kwam te laat. Op het vernemen van deze jobstijding achtten de zwakke cohorten het geraden de Rijndelta te ontruimen vóór zij van het zuiden zouden worden afgesneden. De Bataven waren al niet meer de Romeinse bondgenoten die zij aan het begin (ca. 70 n. Chr.) waren en hebben zichzelf samen met de buurvolkeren hernoemd tot "vrije Germanen" en gingen op in de Franken, een fusie (bondgenootschap) tussen de West-Germaanse stammen op wat nu Nederland en Nederduits gebied is. ± 285 werden deze Franken door de Saksen uit hun oorspronkelijke woongebied verdreven. laatst bijgewerkt: 11-02-10 |