293 | Slangen (Serpentes) |
![]() |
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Slangen zijn verwant aan hagedissen, in feite behoren ze tot de zelfde orde, namelijk die der Squamata. Deze orde onderscheidt zich van andere families van hagedisachtige reptielen, bijvoorbeeld de Sphenodonta, door grotere kracht en flexibiliteit in de kaken, die door een paar kleine veranderingen in structuur wordt bereikt.
Hoe de slangen zijn ontstaan is niet precies bekend, maar dat ze van de hagedissen afstammen wordt algemeen aangenomen. Slangen zijn ontstaan uit hagedissen die de poten gedurende de evolutie hebben verloren. Slechts enkele primitieve soorten (boa's) hebben nog resten van een bekkengordel en soms sporen die als kleine 'nageltjes' of kleine, flap-achtige uitsteekseltjes zichtbaar zijn. Dit zijn de restanten van het dijbeen (femur). Ook bij veel andere slangen is nog te zien dat er ooit poten aanwezig waren vanwege de daar wat afwijkende schubben. Sommige hagedissen, zoals hazelwormen en sommige skinken lijken op slangen omdat ze geen of zeer korte pootjes hebben. Slangen verschillen naast het ontbreken van poten van de hagedissen door de afwezigheid van een borstbeen, een heiligbeen en een schoudergordel. Daarnaast telt de wervelkolom vele honderden wervels en hebben de ogen in beginsel gefuseerde oogleden. Er is dus meer gebeurd met de slangen dan alleen het verdwijnen van de poten, maar wanneer of hoe precies is nog niet duidelijk. Rechts: Archaeophis proavus is een fossiele slang uit het Eoceen, en was een primitieve soort waarvan de tanden gegroefd waren en doen denken aan de dentitie van de moderne varanen |
![]() |
![]() |
Een theorie is dat de dat alle moderne slangen zijn ontstaan uit de voorouders van varaanachtigen, en door hun gravende levenswijze de poten hebben verloren, net als sommige hagedissen als skinken en hazelwormen. De fossiele slang Najash rionegrina ondersteunt deze theorie en is een van de oudste reptielen die tot de slangen wordt gerekend. Najash rionegrina leefde in het late Krijt zo'n 65 tot 100 miljoen jaar geleden. Deze soort leek uiterlijk al sterk op de moderne slangen en had ook voor slangen typische kenmerken van de schedel en de wervelkolom. Deze slang had echter twee buiten de ribbenkast uitstekende achterpoten en een bekkengordel, die bij de meeste huidige slangen zijn verdwenen. |
Een andere theorie is dat slangen afstammen van grote, lange en in zee levende reptielen, zoals de Mososauridae. Deze mariene slangen uit het Krijt hadden nog wel achterpoten maar leken uiterlijk al op slangen. De restanten van de poten verdwenen omdat deze bij het zwemmen niet meer werden gebruikt. Later gingen deze voorouders van de moderne slangen weer op het land leven waarna ze hun huidige vormenrijkdom ontwikkelden. De bouw van het oog van de moderne slangen verschilt wezenlijk met die van de hagedissen, en wijst op een ontwikkeling in de zee. Doordat in zee niet veel licht doordringt is het gezichtsvermogen gedegenereerd. De daarop volgende herkolonisatie van het land, waar een goed gezichtsvermogen een voordeel is, verklaart waarschijnlijk de totaal andere ontwikkeling van het oog van de twee verwante groepen. Andere aanwijzingen zijn de gefuseerde oogleden, die een slang een soort permanente duikbril geven, en het ontbreken van uitwendige ooropeningen die alleen maar zouden vollopen met zeewater. Het grote probleem bij het achterhalen van de ontstaansgeschiedenis is het feit dat slangen een erg fragiel skelet hebben dat maar moeilijk fossiliseert, waardoor er meestal niets meer van overblijft. Hierdoor zijn er maar weinig fossielen aangetroffen die belangrijke informatie kunnen geven over de ontwikkeling van de slangen. |
![]() |
De in Israël gevonden Pachyrhachis is een één meter lange slang met poten. Dit dier vertoond verschillende kenmerken van een aquatisch reptiel, wat een interessant gegeven is, want tijdens het Laat-Krijt leefde er een groep van aquatische reptielen, die wat betreft skelettrekken tussen de varanen en slangen in staan; de Mosasauriërs. Deze enorme zeereptielen die in een korte tijd zeer succesvol werden tijdens het late Krijt beschikken over schedels en tanden die sterk overeenkomen met die van zowel varanen als slangen.
|
Mosasauriërschedels vertonen zelfs nog meer overeenkomst met die van slangen door de aanwezigheid van een dubbele rij tanden op de vleugelbeenderen in het gehemelte (Het Pterygoidae), dit komt voor bij slangen, niet bij varanen. Ook hun lange slangachtige vorm hebben ze dus niet van een vreemde. Aan de andere kant hebben mosasauriërs duidelijk vier ledematen, die zoals bij elke aquatische tetrapode in vinnen verpakte vingers en tenen bevatten. Hoewel Mosasauriërs door hun buitensporige formaat moeilijk de directe voorouders kunnen zijn van de veel kleinere slangen die er op volgden, representeren ze wel een stadium dat zich tussen varanen en slangen bevind. Ook door het feit dat vroege slangen (met poten) aquatische dieren waren maakt het plausibel dat Mosasauriërs en slangen zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke voorouder. |
![]() |
Een langgerekt aquatisch reptiel met flippers, dat verwant was aan de varanen, en ondermeer beschikte over dezelfde kaken, tanden en het orgaan van Jacobson (Paleonartiesten beelden tegenwoordig Mosasauriërs af met een gespleten tong.). Diens nakomelingen leidde enerzijds tot enorme zeereptielen, en anderzijds tot kleinere roofdieren, wiens slangachtige vorm extremer werd, hun poten geheel verloren, en in de meeste gevallen terug keerden naar het land, hoewel er altijd 'zeeslangen' zijn gebleven. |
Het lichaam van een slang is sterk verlengd, in tegenstelling tot de staart, die slechts het achterste puntje van het lange lijf vormt. Sommige slangesoorten beschikken over meer dan 450 wervels. De poten zijn verdwenen en de onderste en bovenste slaapvensters zijn versmolten waardoor er plaats is voor grotere kaakspieren. De kaken zijn nog flexibeler dan bij hagedissen waardoor grote prooien kunnen worden ingeslikt. Van hun pootamputatie hebben slangen allerminst last, hun pootloze lichaam stelt hen in staat om vooruit te komen op het land, in het water, en er zijn verschillende soorten slangen die bomen beklimmen en zweefvluchten maken door uitstekende huidflappen. Een slang beweegt zich voort door zijn spieren zo te spannen dat er een reeks golven in zijn lijf wordt geproduceerd, met het duwen van de rug van elke golf beweegt hij zich vooruit. De grote schubben aan de onderzijde van het lichaam zijn met spieren bevestigd aan de ribben, en geven de slang grip op de grond. Behalve dit vertonen slangen nog verschillende andere manieren van voortbeweging, waaronder de accordeonbeweging, maar die vergt veel energie en wordt alleen gebruikt als een slang in een nauwe omgeving zit zonder ruimte om te kronkelen. Zonder poten bewegen slangen zich voort ter land, ter zee en in de lucht en op een zo perfecte, moeiteloze manier dat je je bijna zou afvragen waarom poten ooit zijn uitgevonden. En in feite is het ook zo dat in de natuurlijke geschiedenis er verschillende andere gewervelden zijn geweest die hun poten opgaven en een lang slangachtig lijf ontwikkelde. Zoals de huidige hazelwormen, pootloze hagedissen, en amfibieën zoals Ophiderpeton, een verwant van de salamanders uit het Pennsylvanian, zonder poten, maar met ongeveer 230 ruggenwervels. Bron: Moderne Reptielen & Amfibieën |
Moderne Slangen ontwikkelden zich 20 miljoen jaar geleden in het Mioceen. Pootloze reptielen die hun voorouders vormen zijn echter al van veel langer geleden bekend, deze dateren terug tot het Krijt, zo'n tachtig miljoen jaar geleden. De oudst bekende slang is echter bekend van een 100 miljoen jaar oude Krijt-laag in Noord-Afrika. Deze slang vertoont al overeenkomsten met de moderne slangen.
Slangen hebben zich over de gehele wereld verspreid, met uitzondering van enkele geïsoleerde gebieden, vooral eilanden als Ierland, IJsland, Nieuw-Zeeland en een aantal eilanden in de Grote Oceaan. Ook in het zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika, op Antarctica en in uiterst noordelijk Europa en Azië en noordelijk Noord-Amerika, dicht bij de noordpool, komen geen slangen voor. Slangen hebben zich aangepast op de meest uiteenlopende omgevingen, er zijn soorten die ondergronds leven, op de bodem, in bomen en zelfs in het water, zowel in zoet water (Agkistrodon, Natrix) als in de de zee (zeeslangen). Naast de strikt in water levende soorten kunnen vrijwel alle slangen uitstekend zwemmen en klimmen. De meeste slangen leven in begroeide gebieden zoals bossen tot meer open plekken als bergstreken en steppen. In tropische bossen komen meer boombewonende slangen voor, die overdag rusten in bomen en 's nachts op jacht gaan. In kale gebieden, zoals woestijnen, zijn slangen bodembewonend en graven zich vaak in. Taxonomie De slangen worden ingedeeld in verschillende groepen, zoals superfamilies, families, onderfamilies en geslachten. In totaal zijn er 17 families. Soms veranderen wetenschappers de indeling van de slangen omdat recente ontdekkingen tot nieuwe inzichten leiden over de onderlinge verwantschappen. De grootte van de families verschilt sterk, sommige tellen meer dan duizend soorten, twee families tellen slechts een enkele soort. De families zijn weer ingedeeld bij drie superfamilies:
Een andere indeling is die in twee infraorden: Alethinophidia en Scolecophidia. De Reptile Database verdeelt de Alethinophidia in de infraorde Henophidia (boa-achtigen) en de infraorde Xenophidia (adders, gifslangen, gladde slangen). Over de status van de onderfamilie Hydrophiinae (oa zeeslangen) en de familie pythons (Pythonidae) bestaat veel discussie. Gemaakt: 01-11-06; bijgewerkt: 17-04-08 |