510 |
Condylarthra (Oerhoefdieren) |
![]() ![]() ![]() |
De orde Condylarthen (Condylarthra) waren de voorouders van verschillende moderne hoefdiergroepen. Hun naam verwijst naar hun geknobbelde (condylus) gewrichten (arthros). De eerste Condylarthen ontwikkelden zich al in het Krijt-tijdperk. Het waren destijds nog kleine omnivoren, die in de schaduw van de dinosauriërs leefden. Door het massale uitsterven van 65 miljoen jaar geleden kwamen verschillende niches vrij en de Condylarthen ontwikkelden zich tot de belangrijkste planteneters. Enkele groepen behielden echter het oude omnivore voedselpatroon. Gedurende het Paleoceen en Eoceen waren de condylarthen verspreid over de gehele wereld, met zelfs vertegenwoordigers in de destijds afgezonderde continenten Australië en Zuid-Amerika. In de loop van het Eoceen werden de Condylarthen verdrongen door de echte hoefdieren.
De Condylarthen waren een zeer diverse groep met meerdere families en een groot aantal soorten. Sommige soorten waren kleine insectivoren zoals de Haplaletes, Familie Hyopsodontidae). Andere waren boomklimmende alleseters (zoals de Chriacus, Familie Arctocyonidae) en weer andere soorten waren grote bodembewonende planteneters (zoals de Phenacodus, Familie Phenacodontidae) De Condylarthen worden beschouwd als de voorouders van verschillende latere groepen hoefdieren. Welke familie zich precies ontwikkelde tot welke hoefdiergroep is nog niet geheel duidelijk, maar momenteel veronderstelt met dat de Arctocyonidae evolueerden tot de Mesonychiden en de Evenhoevigen, Phenacodontiden de voorouders zijn van de Onevenhoevigen en dat de Mioclaeniden zich ontwikkeld hebben tot de Zuid-Amerikaanse Litopternen. Tot de Condylarthra behoren de Families
Recentelijk is voorgesteld de Didolodontidae, Mioclaenidae en Litopterna samen te voegen in een nieuwe orde, de Panameriungulata. Recent onderzoek aan Paleocene fossielen lijkt namelijk uit te wijzen dat de Litopterna, samen met de Didolodontidae verwant zijn aan de vroege Noord-Amerikaanse groep Mioclaenidae en verwant zou zijn en niet aan de andere Zuid-Amerikaanse "hoefdieren". Hoe dit is te verklaren is niet helemaal duidelijk. Na het uiteenvallen van Pangaea aan het begin van het Jura, 200 - 180 mjg. waren Noord- en Zuid-Amerika lange tijd niet met elkaar verbonden. Zuid-Amerika was miljoenen jaren lang een geïsoleerd liggend continent, net zoals Australië nu. Het is mogelijk dat Zuid-Amerika vroeg in het Tertiair tijdelijk met Noord-Amerika verbonden geweest is, waardoor enige uitwisseling heeft kunnen plaatsvinden. Daardoor zouden enige Laurasiatheria in Zuid-Amerika terecht gekomen kunnen zijn, die vervolgens een geheel eigen evolutionaire weg hebben bewandeld. Er wordt wel verondersteld dat er zo drie aparte groepen in het zuiden terecht gekomen zijn. Het is echter ook mogelijk dat (een deel van) de Zuid-Amerikaanse 'hoefdieren' helemaal niet aan de noordelijke hoefdieren verwant zijn, maar er door convergente evolutie slechts op lijken. |
Zo'n vijf miljoen jaar geleden, tijdens het Plioceen, ontstond de landengte van Panama. Over deze landengte trokkenn de noordelijke hoefdieren en roofdieren Zuid-Amerika binnen. Door deze invasie stierven vrijwel alle inheemse hoefdieren van Zuid-Amerika uit. Slechts enkele soorten wisten de invasie te overleven, de Litopternen Macrauchenia en Windhausenia en de grote Notungulaten Toxodon en Mixotoxodon. Deze laatste oorspronkelijke Zuid-Amerikaanse hoefdieren stierven uiteindelijk aan het einde van het Pleistoceen uit, samen met een groot aantal andere dieren op het Amerikaanse continent (onder andere Amerikaanse olifanten, Paarden, Sabeltandkatten en Grondluiaarden). |
Gemaakt: 12-04-08; laatst bijgewerkt: 22-11-09 |