1111

Anatolië (8000 - 6000 v. Chr.) - Çatal Hüyük (Höyuk)

Tot eind jaren vijftig was de neolithische stad Çatal Hüyük (hüyük = woonheuvel), enkele tientallen kilometers van de Turkse provinciehoofdstad Konya in Zuid-Anatolië, een stipje op de kaart. In een Duits reisverslag uit die tijd werden de overblijfselen omschreven als "onbetekenende restanten van een vermoedelijk laat-Romeinse nederzetting". Des te groter was de verbazing van de Engelse archeoloog James Mellaart toen hij tijdens een bezoek in de winter van 1958-1959, ontdekte dat de restanten van de gebouwen die hij boven het maaiveld zag uitsteken onmiskenbaar neolithisch van oorsprong waren. "Overal waar ik keek zag ik duidelijk de contouren van gebouwen en het terrein was bezaaid met scherven die ik onmiddellijk herkende als neolithisch. Toen ik met een schep op een willekeurige plek 15 cm aarde verwijderde zag ik direct prachtige grote tichelstenen. 

Op die geringe diepte waren de sporen van wandversiering al onmiskenbaar aanwezig." Het duurde tot 1961 voordat Mellaart toestemming kreeg voor een volledige opgraving. Tussen 1961 en 1963 legde hij een stukje van het noordelijke deel van de grote heuvel bloot. Onder de heuvel van 600 bij 350 m en 17,5 m hoog, waaronder de neolithische nederzetting lag stelde Mellaart 13 bouwlagen vast, daterend uit 7250 tot 6250 v. Chr. 

De oorspronkelijke oppervlakte van de stad was waarschijnlijk twee keer zo groot geweest als de omvang van de bewaard gebleven ruïnes. Mellaart vondsten waren zo spectaculair dat ze vanaf het begin vragen opriepen. Hoewel Mellaart zijn werk zorgvuldig documenteerde, werd hem verweten dat hij bij zijn reconstructie veel te speculatief te werk ging, vooral zijn tekeningen en maquettes stuitten op heftige kritiek. Na Mellaart laatste opgraving werd de site dichtgestort en trad dertig jaar stilte in. 
In 1994 werd het onderzoek door Iran Hodder hervat. Zijn conclusie is dat van enige vorm van vervalsing door Mellaart geen sprake is geweest. Ook zijn reconstructietekeningen blijken zeer correct. 
Çatal Hüyük (was volgens Mellaart, geconstrueerd volgens een duidelijk vooropgezet plan. Alle woningen, gebouwd van mooie tichelstenen, waren van binnen gepleisterd. Een aantal zalen bevatte grote gemetselde platforms waaronder zich graven bevonden. 
De "woningen" schijnen na een bepaalde periode (40-60 jaar) afgebroken werden en met speciaal aangevoerd zand en leem opgevuld, waarna er keurig een nieuw huis bovenop werd gebouwd. 
Het interieur van de woningen werd op gezette tijden gepleisterd, vermoedelijk zelfs ieder jaar. De toegang tot de huizen verliep via het dak. Geen enkel huis had een entree op de begane grond. De huizen waren één of twee verdiepingen hoog en stonden in blokken pal naast elkaar. Straten waren er niet. De deuren zaten een meter boven de grond en waren via een houten trap bereikbaar vanaf een kleine binnenplaats.

Licht kwam binnen via openingen in het dak, die ook dienden als uitlaatgaten voor de rook. De kamers waren vierkant. Er waren stenen banken in aangebracht die gebruikt werden als stoelen en bedden. Alles werd beschilderd met een witte of gele kalklaag, die elk jaar werd vernieuwd. In één geval zijn op een muur 120 kalklagen ontdekt. Toen Mellaart zijn werkzaamheden in Turkije moest staken, had hij slechts een dertigste deel van de heuvel blootgelegd. Hij had 140 gebouwen met meer dan 300 kamers opgegraven. Daarin vond hij tientallen cultusbeeldjes en bas-reliëfs en vooral wandfresco's

Het aardewerk en de benen en stenen voorwerpen kenmerkten zich door een ongekend hoge kwaliteit. 
In het 7e millennium voor Chr. werd Çatal Hüyük de grootste stad van het Nabije Oosten en moet tussen de 50 á 100.000 inwoners hebben geteld. De bevolking bestond niet uit achterlijke boeren, maar uit ambachtslieden, handelaars en bouwers. In de ruïnes zijn resten van weefsels gevonden, werktuigen en voorwerpen van hout, steen en klei, parels, koperen ringen en oorhangers. 
Anatolië (6000 - 4000 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 15-09-04

colofon