1504

Naqada ll (3500 - 3300 v. Chr.)

 Naqada l (4000 - 3500 v. Chr.)

Naqada ll (ca. 3500 - ca. 3300 v. Chr.)

De derde cultuurfase van de predynastieke periode omvat Naqada II, die ook wel bekend als de de Gerzeïsche periode (ca. 3500 - 3300 v.Chr.). Deze periode vormt een keerpunt in de Egyptische prehistorie. Tijdens deze periode zijn er contacten met het buitenland en de cultuur verspreidde zich over het gehele Nijldal tot in de Delta. Er is eveneens sprake van sociale stratificatie en ontwikkeling van belangrijke bevolkingscentra, zoals Hierakonpolis, Koptos, Abydos en Naqada. Het proces van verspreiding leidt uiteindelijk tot centralisatie en het begin van staatsorganisatie in Egypte, waardoor het land uiteindelijk verenigd werd onder één heerser. Tijdens Naqada II wijzen motieven in kunst en architectuur op contacten met Mesopotamië. Het Egyptische schrift zou ontstaan kunnen zijn als reactie op contacten met dit gebied, maar is zeker niet afgeleid van schriftsystemen uit Mesopotamië, aangezien de twee radicaal verschillen.

In de Gerzeïsche periode wordt een verdere sociale differentiatie merkbaar. Dorpen groeiden uit tot belangrijke steden zoals Abydos, Hierakonpolis en Naqada (wiens naam aan de volledige periode gegeven zou worden), met een eerder nooit geziene bevolkingsgraad. Om de landbouw te stimuleren, begon men voor het eerst aan kunstmatige irrigatie te doen. Het is in deze periode dat het schrift zich in Egypte zou hebben ontwikkeld.

Twee staten ontstonden: Beneden-Egypte, het noorden met de Nijldelta en Boven-Egypte in het zuiden. De machtigste stadsstaat van het zuiden (Opper-Egypte) was Hiërakonpolis (Nekhen), waar de god Horus, (voorgesteld door een valk), werd vereerd. De machtigste stadsstaat van het noorden (Beneden-Egypte) was Per-wadjet (Huis van Wadjet), door de Grieken Boeto (Buto) genoemd. Wadjet (ook wel Wadjit genoemd) was de lokale stadsgodin en de schutsheilige van een orakel. Wadjet was een slangengodin en werd voorgesteld door een cobra (uraeus) die zich opricht op gif te spuwen naar eenieder die het waagde de koning te bedreigen, maar werd ook voorgesteld door een leeuwin, daarmee verwijzend naar Sekhmet, de verschrikkelijke vorm van de zon.

Bij het begin van de historische periode werden deze hoofdsteden verwisseld voor respectievelijk Saïs in het noorden en Thinis in het zuiden. 

Hierakonpolis was het centrum van de valkengod Nekhen (of Nechen). Zijn houten tempel was de oudste tempel van Egypte. De originele grond dateert van Naqada I (4000 - 3500 v. Chr.) en laat-Badari (5500 - 3800 v. Chr.). Op het hoogtepunt van de stad (3400 v. Chr.) had de plaats tussen de 5.000 en 10.000 inwoners, heel veel voor die tijd. De ruïnes van de stad werden aan het einde van de 19e eeuw onderzocht door de Engelse archeologen James E. Quibell en F.W. Green. In de koninklijke afdeling van de tempel van Nekhen vonden zij belangrijke ceremoniële voorwerpen zoals het Palet van Narmer, de beroemde knotskop (mace head) van koning Schorpioen en een dodenmasker. Het gebied is de afgelopen decennia goed onderzocht en de voorwerpen of bouwwerken die aan het licht komen zijn vaak al te betitelen als Oud-Egyptisch of klassiek-Oud-Egyptisch. Hierakonpolis bleef ook tijdens de 1e, 2e en 3e dynastie het religieuze en politieke centrum van Opper-Egypte. 00g
In Tell Ibrahim Awad in de oostelijke Nijldelta werd de oudste tot dusver gevonden tempel van Beneden-Egypte gevonden. (NRC W&O p. 5. -  4-3-2000).  Deze tempel, die wordt gedateerd op omstreeks 3400 v. Chr., werd gevonden onder 4 bouwlagen van later gebouwde tempels, alle gebouwd van in de zon gedroogde blokken klei (mudbrick). Waarschijnlijk om de plek rein te houden werd, wanneer men een nieuwe tempel bouwde, de bestaande afgebroken tot op een of twee lagen tichels, en puin en vuil daarna zorgvuldig verwijderd. Bij deze opgraving (sinds 1988) zijn delen van een beeld terug gevonden. Kop en poten van een baviaan, ca. een halve meter groot en mogelijk een cultusbeeld. Verder kwam bij de opgraving typisch tempelaardewerk te voorschijn: kommen en plengvazen voor het offeren van water, melk en bier. Verder offerstandaards voor het offeren van dieren. Er kwamen botten van vooral schapen en geiten te voorschijn. Varkens at men wel maar die werden net als vissen vaak onrein geacht voor het brengen van offers.

Het tijdvak tussen ± 3300 - ± 3050 v. Chr. wordt ook wel aangeduid als de tijd van de "nulde" dynastie. Het was een intrigerende periode waarin in korte tijd (± 250 jaar!!) uit een primitieve boerensamenleving waarin vuurstenen werktuigen werden gebruikt, een faraocultuur ontstond met graven, tempels en piramides. 

Zowel de bevolkingsconcentratie als het beheer van een maatschappij die voor voedsel afhankelijk is van de Nijloverstromingen vereist een centraal gezag. Hoe meer mensen je op een bepaald gebied bij elkaar hebt, hoe harder een zekere maatschappelijke ordening noodzakelijk is. Een centraal gezag is ook noodzakelijk percelen af te bakenen, kanalen en greppels te laten om de landerijen te kunnen bevloeien.

In Hierakonpolis werd het huis van een pottenbakker gevonden die in ca. 3600 v. Chr. zijn huis in brand heeft gestoken.

Links: Potten uit de Naqada ll-periode (3500 - 3100 v. Chr.) ook wel bekend als Gerzean aardewerk. 

In deze periode ontstonden nieuwe stijlen van aardewerk en werd de decoratie gedetailleerder. Er verschenen schilderingen op de potten, die nog steeds zonder draaischijf werden gemaakt. De illustraties op de potten bestaan uit geometrische figuren en gestileerde afbeeldingen van allerlei aard, zoals dieren (gazellen, flamingo's, struisvogels en (zeldzamer) parelhoenders); objecten (vooral grote roeiboten en een enkel zeilschip, opgespannen dierenhuiden (indien dit geen zeil-aan-mast verbeeldt) en losse kajuiten/bootskapellen van vlechtwerk), mensen, groot uitgevoerde godinnen met ronde hoofden en soms met een waaier in een hand, en meest ongeïdentificeerde plantmotieven. Een terugkerend patroon in deze schilderingen verwijst waarschijnlijk naar een mythologische achtergrond. Een duidelijk mythologisch-funerair motief is de afbeelding van een dode man met opgetrokken knieën in de boeg van een schip.  In tegenstelling tot de Naqada I-periode werd er in de Naqada II-periode eerder met wit-gele klei gewerkt, en werden de illustraties in het rood gemaakt.

Omstreeks 3300 voor onze jaartelling was de pottenbakkerschijf in gebruik. Vermoedelijk werd zij ingevoerd uit West-Afrika. 

Rechts: pot uit de Naqada ll periode met roodslib decoratie van een boot met standaards, struisvogels en lijnversieringen (Metropolitan Museum of Art, New York)

Op de zogenaamde Harrogate vase in het Royal Pump Room Museum in Harrogate staat een afbeelding van een 'godin' en een flamingo op de voorplecht (mogelijk symbool voor de zonnegod?). Een soortgelijk motief bevindt zich in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden dat een predynastisch aardewerk bootje bezit waarin eveneens een dode man ligt en op de voorplecht een kikker (de latere kikkergodin Heqet staat symbool voor wederopstanding!) is gemodelleerd.
Uit de rechthoekige graftombes blijkt dat ook de architectuur evolueerde. Uit de materialen die de doden begeleidden, blijkt dat er een groter verschil was gegroeid tussen de armen en de rijken. In Hierakonpolis (Nekhen) zijn een paleis en gebouwen voor rituele doeleinden ontdekt. Het zijn duidelijke voorlopers van de gebouwen uit de Vroegdynastieke periode.

Er zijn uit deze tijd veel schminkpaletten gevonden, die een duidelijke link vormen met de latere schminkpaletten die zouden worden gebruikt voor rituele aangelegenheden. De gevonden rolzegels wijzen op de invloed van de naburige gebieden. Rolzegels zijn typisch voor Mesopotamië.

In Hierakonpolis werd ook de eerste industriële bierbrouwerij uit 3600 v.Chr.  gevonden. Deze brouwerij kon de dagelijkse hoeveelheid bier voor ongeveer 200 mensen produceren.

In die tijd werd geëxperimenteerd met het mummificeren.

NaqadaBoneWomen
Boven: Egyptische boot - reliëf in de tempel van Edfu (foto: Bert Woudstra, 2009)

Met het cederhout dat de Egyptenaren hout importeerden uit het huidige Libanon konden zij ook schepen bouwen. Zo ontstond er een ware Egyptische handelsvloot. De schepen zeilden naar Byblos, Tyrus en Sidon en ruilden daar vis, goud, papyrus en vlas voor de zo nodige grondstoffen.

Rond 3200 v. Chr. waren de Egyptenaren cultureel gezien klaar om het dynastieke tijdperk binnen te treden. Waarschijnlijk kwamen omstreeks die tijd ook al die ontwikkelingen op gang die in de eerste eeuwen van de eerste dynastie schijnbaar plotseling opkwamen, zoals het schrift, de monumentale architectuur, industriële productie en centraal gezag. 

Naqada lll (3300 - 3150 v. Chr.)

laatst bijgewerkt 12-10-09

colofon