1181

Farao

De farao was goddelijk en werd bij zijn leven beschouwd als de incarnatie van de hemelgod Horus. Alleen hij kon met de hemel communiceren. Bij zijn dood steeg hij op naar de Zonnegod Re en bezeilde hij de hemelen in zijn hemelboot.Van de farao werd verwacht dat hij ook alles in stand hield, zoals het was bij de schepping. Hij moest zich niet alleen bekommeren om de sociale en politieke structuur. Ook de hemellichamen, de wetten van de natuur en vooral de stand van het Nijlwater en de wisseling van de seizoenen moest hij in de gaten houden. De landbouw en dus de voeding waren immers altijd afhankelijk van het gedrag van de Nijl. De stand van het water was ook belangrijk voor het vervoer van de granieten blokken die men nodig had om de piramides en obelisken op te trekken.

De farao was de enig die de goden kon bereiken en moest voor zijn volk bij hen bemiddelen door het juiste ritueel uit te voeren en de vereiste offers te brengen. Meteen was hij ook opperpriester en benoemde hij alle priesters in de tempels. De macht van de farao was absoluut, hoewel hij - gezien zijn diverse taken en verantwoordelijkheden - het dagelijkse bestuur moest overdragen aan een vizier en een snel groeiden leger ambtenaren. Bij de vizier berustte ook de rechtspraak. Hij oordeelde over de lijfstraffen en de doodstraffen. Schuldigen werden met behulp van orakels aangewezen en het duurde vele uren en soms dagen eer een vonnis werd uitgesproken.

De farao vergoedde zijn ambtenaren dankzij de geheven belastingen. De fiscus van toen beperkte er zich toe de boeren een deel van hun oogst te vragen. De farao hield natuurlijk een deel van die belastingen om er zijn grote bouwwerken ( Piramiden) mee te financieren. 

De farao vergoedde zijn ambtenaren dankzij de geheven belastingen. De fiscus van toen beperkte er zich toe de boeren een deel van hun oogst te vragen. De farao behield natuurlijk een deel van de belastingen voor zich om er zijn grote bouwwerken mee te financieren. De farao kon voor al die activiteiten, van het bouwen van grootschalige bouwwerken tot het heffen van belastingen, rekenen op een heel leger van ambtenaren. Zo ontstond er ook een bureaucratische piramide, want al deze uitvoerende gezagdragers waren van boven naar beneden in een strikte hiërarchische orde gerangschikt.

Bij de Egyptenaren waren de schrijvers belangrijke personen en genoten ook heel wat voordelen. De kennis en de macht die erbij hoorden bleven in een kleine bevoorrechte groep.Terwijl duizenden boeren van zonsopgang tot zonsondergang het land bewerkten, trokken zij als een soort griffiers, in opdracht van de farao alles na. Ze schreven hun vaststellingen neer en die werden dan in de archieven van de farao bewaard.

Alles wat bestond in het rijk was eigendom van de farao. De vizier, in feite de eerste minister, was verantwoordelijk voor de goede gang van zaken. Hij waakte over de rechtspleging, de financiën, de economie, de landbouw en de archieven. Onder de farao en de vizier waren diverse "opzieners" actief, zoals de "Opziener van de Tweevoudige Voorraadschuur", de "Opzichter van de Akkers", de "Opzichter van de Tien van het Zuiden". Deze opzichters hadden natuurlijk ook helpers nodig en dat waren de onderopzieners en andere ondergeschikten.

Vooraleer een farao de troon kon bestijgen, moest hij eerst de plechtige zuiveringsceremonie ondergaan. Hij moest, getooid met de scepter en het flagellum in zijn lange mantel op twee tronen plaatsnemen. De eerste maal droeg hij de witte kroon van Boven-Egypte, de tweede maal de rode kroon (het puntig toelopende hoofddeksel) van Beneden-Egypte (het Nijldal). Na dit dubbel optreden was het de beurt aan de hogepriesters. Zij symboliseerden Seth en Horus. Rondom een zuil weefden zij verschillende planten in elkaar. Dan mocht de farao rond een muur lopen die beide rijken symbolisch omvatte en zo nam hij bezit van de troon. Pas daarna volgde het officiële kroningsfeest.

De scepter of staf is afkomstig uit het oude Egypte en is wereldwijd het symbool van koninklijk gezag geworden. L'oeas, de scepter, zou ontstaan zijn uit een gevorkte stok waarmee slangen werden gedood. Het voorwerp, dat al uit een zeer ver verleden bekend was, is het goddelijk symbool geworden. De staf, waarop de goden zich verlaten, eindigt onderaan in een kleine gaffel en aan de bovenkant in een gestileerde hazenkop die doet denken aan de nooit achterhaalde viervoeter, het dier van de god Seth. De scepter is op de eerste plaats het insigne van het district Thebe, de bestuurlijke eenheid die de Egyptische hoofdstad vormde en de Oeaset heette, "de stad van de scepter". De farao wordt gewoonlijk afgebeeld met tegen zijn borst de Heka (herdersstok), de scepter, en de nekhekh de gesel, symbolen van Osiris, die de god had geleend aan Andjty, "beschermer van de doden", een oergod van Boesiris. zo wordt, op dezelfde manier als de godheid, de farao gezien als de herder van het volk, dat hij leidt met de staf en beschermd met de gesel. De scepter-knots de kherp, is ongetwijfeld oorspronkelijk een knots met een ronde kop van steen op een houten greep, een zeer gebruikelijk strijdwapen aan het eind van de predynastieke tijd. De peervormige knots, die ook in het graf van Toetanchamon is gevonden, was al een strijdwapen in de tijd van koning Narmer, de farao die Egypte verenigde. Tijdens het Nieuwe Rijk ontvangt de vorst van de god Amon als teken van de overwinning de khepesh, het gebogen zwaard dat doet denken aan de wapens van de Aziatische koningen. 

Het leven van een farao
De oudste zoon van een farao kreeg een speciale opvoeding om later zelf ook farao te worden. Samen met de zonen van priesters kreeg hij les in rekenen en het schrijven van hiëroglyfen. Ook moest hij alles leren over de Egyptische goden. Een farao had wel vijf namen. In het Egyptische hiëroglyfenschrift werden de laatste twee koningsnamen in een zogenaamde cartouche geschreven.
Aan het hof beschikte de farao over vele dienaren, die elk een aparte taak hadden. Zo was er dienaar die hem iedere dag hielp met het opzetten van zijn pruik en zijn hoofddoek. Een andere dienaar moest de dubbele kroon en de gouden herdersstaf en dorsvlegel bewaken.

Een farao regeerde vanuit zijn paleis dat meestal vlakbij een grote tempel was gebouwd. De Egyptenaren dachten dat de farao de enige was die direct in contact met de goden stond. De farao was daarmee de belangrijkste priester. Hij voerde rituelen uit in de tempel. Wanneer een farao op reis was, liet hij zich vervangen door een priester. 

De farao was ook nog opperbevelhebber van hert leger en de belangrijkste rechter in het land. Niet iedere farao was een even goede bestuurder. Sommige waren eigenlijk te jong, zoals Toetanchamon die als negenjarige jongen farao werd. Niet hijzelf maar hoge ambtenaren aan het hof hadden de touwtjes in handen. de hoogste ambtenaar was de vizier of onderkoning.

Als een farao overleed meenden de Egyptenaren dat hij een reis maakte naar het dodenrijk en daar verder leefde als "Osiris"., de god van dit dodenrijk. Zijn zoon, de nieuwe farao, werd zo de god Horus, de zoon van Osiris. Om te kunnen regeren in het dodenrijk had de farao zijn lichaam nodig. Om te voorkomen dat zijn lichaam zou vergaan, werd er een mummie van gemaakt. De mummie van de farao werd in een aantal in elkaar passende doodskisten of sarcofagen gelegd. De grafkamer van de farao werd gevuld met duizenden voorwerpen, zoals wapens, kleding, sieraden, meubels, muziekinstrumenten, strijdwagens en boten. Veel voorwerpen waren gemaakt van goud (edel)metaal of kostbare houtsoorten. Zo kon een farao ook in het dodenrijk beschikken over prachtige spullen.

Laatst bijgewerkt 02-01-03

colofon