1192 |
Mummies |
Een bijzonder aspect van de Oud-Egyptische cultuur was het balsemen van overledenen. Dit Egyptische gebruik vond zijn oorsprong in de klimatologische en landschappelijke omstandigheden van het land. In de Prehistorie begroef men de doden gewikkeld in matten of dierenhuiden in het zand van de woestijn. In een dergelijke omgeving werd al het vocht aan de weefsels van het lichaam onttrokken, waardoor er natuurlijke mummies ontstonden.
Toen men er echter toe overging de doden in kisten te leggen en hiervoor graven te bouwen, waren deze natuurlijke conserverende omstandigheden niet meer aanwezig, zodat het lijk wegrotte. Volgens de Oud-Egyptische geloofsvoorstellingen was het echter van belang dat ook het aardse lichaam goed intact bleef. Vandaar dat men begon te experimenteren met methoden om het lijk na de dood tegen het natuurlijk proces van verval te beschermen. |
![]() |
Bij de eerste pogingen werd het lichaam strak omwikkeld met linnen doeken. Men ontdekte echter dat het vergaan van het lichaam niet kon worden tegengegaan zonder de organen uit de borst- en buikholte te verwijderen. Organen als geslachtsdelen, borsten, oren, ogen, mond en neus zijn dikwijls in het linnen gemodelleerd, of er is op zijn minst een gezicht op het linnen geschilderd. De buitenste lagen van de windsels werden als kledingstukken bewerkt, bij vrouwen in de vorm van een lange, nauwsluitende jurk, bij mannen in de vorm van een lendendoek. | ![]() |
![]() |
De techniek van het mummificeren bereikte pas een volgend ontwikkelingsstadium in het Middenrijk, toen men ertoe overging de hersenen uit de schedel te verwijderen. Dit procédé werd aanvankelijk slechts sporadisch en vooral in de hoogste sociale kringen rond de koninklijke familie toegepast. Vanaf het Nieuwe Rijk werd het dan gebruikelijk bij het balsemen van het lichaam zowel de hersenen als de ingewanden uit het lichaam te verwijderen. Na de neergang van het faraonische rijk bleven de Egyptenaren de lichamen van hun overledenen balsemen, zij het meestal minder zorgvuldig dan voorheen. In de 7de eeuw n.Chr. raakte het balsemen in Egypte dan ook geleidelijk in onbruik. |
![]() |
links: Mummificatiegereedschap Vuurstenen mes voor het openen van de buik, bronzen haak voor het verwijderen van de hersenen, aardewerken bakjes voor chemicaliën. De balsemers werkten buiten de dorpen aan de Nijl of aan een van de irrigatiekanalen die daarop uitkwamen. Voor het wassen van het lichaam was namelijk een grote hoeveelheid water nodig. Vondsten van plantenresten, die toevallig aan de mummies bleven hangen, tonen aan dat het balsemen in de open lucht geschiedde. Het lichaam werd op een houten of stenen tafel gelegd, die aan weerskanten was versierd met de gestalte van een leeuw. Voor een koninklijke balseming werden tafels van kostbaarder materiaal gebruikt. |
![]() |
De balsemers begonnen hun werk aan het hoofd van het lijk, door de schedel te ontdoen van de hersenen met behulp van haken. Deze haken zijn van brons en ze zijn ongeveer 40 cm lang. Het uiteinde van het instrument kon verschillend gevormd zijn: puntig, gekromd of opgerold. Vermoedelijk werkte een balsemer met een hele set van dergelijke haken. De hersenen werden echter niet altijd via de neus verwijderd, maar ook dikwijls door een gat in het achterhoofd van de schedel. | ![]() |
![]() |
Als de hersenpan leeg was werd er een harsachtige vloeistof in gegoten. Door verhitting werden de stoffen vloeibaar gemaakt. Hierna goot men ze in de schedel, waar ze vervolgens weer stolden. Na de behandeling van het hoofd was de romp aan de beurt en de balsemers openden de buikholte. De snede in de buikwand vond altijd links, boven het bekken plaats. De verwijderde ingewanden, de longen, de lever de maag en de darmen werden door de balsemers apart geconserveerd en in linnen doeken gewikkeld. Vervolgens deden zij de organen in een van de vier zogeheten canopen (zie foto), een speciaal soort kruiken die werden bijgezet in het graf, naast de mummie. |
Voor de magische bescherming van de ingewanden waren vier speciale goden verantwoordelijk, de zogeheten Horus-zonen. Een van hen had een menselijke gedaante, een andere had de gedaante van een valk, nog een andere had de gedaante van een aap en de laatste werd voorgesteld als een jakhals. In tegenstelling tot de andere organen lieten de balsemers het hart van de overledene in het lichaam zitten, of ze legden het er later weer in. Voor Egyptenaren was het hart het centrum van het verstand en de emoties. Het werd als bepalend beschouwd voor de individualiteit van ieder mens en moest in het lichaam blijven. Volgens de religieuze denkbeelden van die tijd kon het ook worden vervangen door een hartscarabee (zie foto), een magisch vervangend hart.
De volgende cruciale stap bij het balsemen van het lichaam was de behandeling met natriumzout. Natriumzout onttrekt het vocht aan het lichaamsweefsel en droogt het uit, waardoor het weefsel geconserveerd blijft. Deze behandeling met natriumzout duurde ongeveer 35 tot 40 dagen. Daarna was het weefsel uitgedroogd en teerde het niet verder weg. Om het lichaam er zo levensecht mogelijk uit te laten zien, dienden de van organen ontdane borst- en buikholte weer te worden opgevuld. |
![]() |
![]() |
Hiervoor werd meestal linnen of zaagsel gebruikt, incidenteel ook het slik van de Nijl of aromatisch geurende mossoorten. Vervolgens werd de snede in de buikwand van de dode na het opvullen weer dichtgenaaid. Dit werd echter slechts bij hoge uitzondering gedaan. Meestal sloten de balsemers de snede weer af met wat linnen of een plakkaat van was, bij koninklijke personen soms ook met een dun laagje bladgoud.
Voor het omwikkelen van de mummie hadden de balsemers een grote hoeveelheid linnen doeken en zwachtels nodig. Ze gebruikten hiervoor op maat gescheurde repen van afgedankte kleding en huishoudelijk textiel. Om het lichaam wat meer steun te geven, legde men dit wel op een plank die samen met het lichaam omwikkeld werd, of men bracht vanaf de borstkas langs de nekwervels een stok direct in de schedel in, waardoor het hoofd een stuk beter aan de borstkas bleef vastzitten. Vooral in de Late Tijd legden de balsemers op de praktisch volledig omwikkelde mummie een groot aantal amuletten van uiteenlopende aard (zie foto). Elke amulet gaf de dode een ander soort bescherming en diende tevens voor diens regeneratie na de dood. |
Aan de buitenkant waren de amuletten echter onzichtbaar gemaakt, doordat ze waren afgedekt met enkele lagen linnen. Over de buitenste linnen doek werd dan vaak nog een kunstig bewerkt net van faienceparels aangebracht. Het hoofd van de mummie werd omsloten door een mummiemasker, een beschilderde linnenkartonnage. Alleen bij koninklijke mummies werden gouden maskers gebruikt. Het masker toont het gelaat van de dode als geďdealiseerde, vergoddelijkte persoon, zonder kenmerken die verwijzen naar leeftijd of persoonlijkheid. | ![]() |
Deze manier van weergeven veranderde pas vanaf de 1e eeuw n.Chr. onder invloed van de Romeinen. Vanaf die tijd werd het in Midden-Egypte gebruikelijk om op de mummie een stucmasker aan te brengen. Nadat de mummie met zorgvuldigheid gereed was gemaakt, werd hij in een of meerdere in elkaar passende kisten gelegd. In het Oude Rijk en Middenrijk hadden deze een rechthoekige vorm, maar later werden ze aangepast aan het silhouet van de mummie. De begrafenis van de gestorvene vond ongeveer 70 dagen na het overlijden plaats, maar er zijn ook gevallen bekend waarin de begrafenisplechtigheid pas veel later plaatsvond, wellicht omdat het graf niet eerder gereed was.
De Egyptenaren pasten de kunst van het balsemen niet alleen op mensen toe, maar ook op dieren. Er waren echter verschillende redenen voor het begraven van dieren. Wanneer iemands favoriete huisdier stierf, dan kon dit gemummificeerd worden. Vaak kreeg het zelfs een speciale mummiekist. Sommige dieren beschouwden de Egyptenaren echter als incarnaties van een godheid. Zo kon de god Ptah zich bijvoorbeeld manifesteren in een stier. Dergelijke dieren werden tijdens hun leven vereerd. Stierf het goddelijke dier, dan kreeg het een luxe begrafenis inclusief balseming van het lichaam, een kist en kostbare grafsieraden. |
![]() |
In de Grieks-Romeinse tijd werden niet alleen bepaalde individuele dieren als heilig beschouwd, maar gehele diersoorten. Deze heilige soorten varieerden van streek tot streek. Voor tal van soorten bestond er wel een cultus, waaronder de stier, de ram, de hond, de valk, de vis, de kat en de krokodil. De gelovige kon de godheid een offer brengen in de vorm van een bronzen beeldje of in de vorm van een kunstig omwikkelde mummie van de goddelijke diersoort. Dit gebruik, dat de Grieken en Romeinen ten zeerste bevreemdde, was heel populair in die tijd en resulteerde in de bouw van reusachtige, meestal onderaards aangelegde dierenbegraafplaatsen.
De mummificering van het dode lichaam had op zich slechts tot doel de dode gereed te maken voor het eeuwige leven. Nadat het lijk door het balsemen en het inwikkelen met linnen was beschermd, werd voor de verdere bescherming nog een grafkist (zie foto) gebruikt, en indien mogelijk een sarcofaag die deze omsloot. |
De grafkist was meestal aan de binnenkant beschilderd. Deuren en ogen speelden daarbij een belangrijke rol. De overledene, die in zijn grafkist leefde als in een huis, moest zijn woning ook kunnen verlaten, wanneer hij, of liever gezegd zijn ka, zich in de buitenwereld wilde begeven. De ogen hielpen hem bijvoorbeeld om de grafgeschenken waar te nemen, om de opgaande zon te zien of andere gebeurtenissen waar te nemen. Ook werd op de wand van de grafkist een 'landkaart van de onderwereld' aangebracht, die de dode in staat zou stellen de juiste weg te vinden. Toverspreuken hadden verder tot doel te voorkomen dat de dode in het gevaarlijke hiernamaals nogmaals zou sterven. Grafkisten in de vorm van een mummie kwamen pas tijdens het Middenrijk in opgang, toen het de gewoonte werd om het hoofd en de schouders van de overledene met een dodenmasker te bedekken. Dit masker had tot doel een optredende verandering in het gemummificeerde lichaam te compenseren, zodat de dode in elk geval door zijn ba zou worden herkend.
De grafkisten waren meestal van linnen of papyrus gemaakt en versterkt door gips (kartonnage); aan het einde van de Tweede Tussenperiode, gebruikte men vaker houten kisten. Deze waren op een eenvoudige wijze versierd en voorzien van bandinscripties met een beschrijving van de overledene en afbeeldingen van goden. Door de ontdekking van het graf van |
![]() |
Vlak naast de sarcofaag stonden de canopen, die meestal werden bewaard in een canopenkast. Deze kruiken bevatten de ingewanden die bij het mummificeren uit de dode waren verwijderd en die met evenveel zorg werden begraven als de kist met de mummie. Eromheen stonden grafgeschenken gegroepeerd. Deze waren speciaal voor de begrafenis vervaardigd of afkomstig uit de persoonlijke bezittingen van de gestorvene en hadden tot doel diens leven in het hiernamaals zo aangenaam mogelijke te maken. Het leven in het hiernamaals was echter geen oneindig feest. Vervelend was vooral dat men in het hiernamaals verplicht was op de vruchtbrengend velden te werken voor het behoud van de leven schenkende landbouw. Men had voor dit nijpende probleem echter een oplossing bedacht in de vorm van de zogeheten sjabti's (zie foto). Dit waren beeldjes van bedienden waarvan men er het liefst zoveel mogelijk mee in het graf nam. In het hiernamaals kon men deze het zware werk laten opknappen. Door een magische tekst op de figuren te kerven of te schilderen, was men van hun verzekerd. Het aantal sjabti's in het graf kon wel oplopen tot 365 stuks, één voor elke dag van het jaar. Ze stonden onder toezicht van 36 opzichter-sjabti's, goed gekleed en voorzien van een zweep, die er verantwoordelijk voor waren dat het werk goed verliep. laatst bijgewerkt: 22-02-03 |