1752 |
Cloviscultuur (9500 - 3000 v. Chr.) |
![]() |
In Midden-Amerika ontstond ca. 9500 v. Chr. de zogenaamde Cloviscultuur, genoemd naar de vindplaats Clovis in New-Mexico.
Aanvankelijk dacht men dat zij de nakomelingen waren van de groepen Aziatische rendierjagers die ± 16.000 jaar geleden vanuit de "Beringia" via een landbrug tussen Azië en Alaska naar het oosten waren getrokken. Maar dat blijkt niet zo te zijn: zij waren de nakomelingen van de niet-Aziatische immigranten die via de Stille Oceaan Zuid-Amerika hadden bereikt (de zgn. eerste immigratiegolf; de nakomelingen van Luzia) en die naarmate het klimaat warmer werd geleidelijk naar het noorden waren getrokken. |
In deze nederzetting, waarvan de ouderdom net als die van Luzia gedateerd wordt op ± 9.500 v. Chr., werden gevonden: bewerkte stenen en benen werktuigen, resten van houten funderingen van tentachtige constructies van 25 m lengte, vuurhaarden, maalstenen voor het vermalen van planten, messen om vlees, huiden en planten te snijden, bola's en stenen voor slingers om te jagen, houten speren, verschillende plantaardige en dierlijke voedselresten en enkele voetafdrukken. | ![]() |
De eerste Mexicanen leefden in kleine groepen. Ze jaagden verschillende soorten dieren, zoals mammoeten en verzamelden zaden, fruiten en noten. Langzaamaan trokken ze naar het zuiden, tot zo'n 10.000 jaar geleden een paar stammen in wat nu de Vallei van Mexico is, ontdekten hoe ze hun eigen maïs en pompoenen konden verbouwen.
De Clovis-cultuur verspreidde zich, waarschijnlijk als gevolg van een geboorte-explosie, zeer snel over het Amerikaanse continent. In korte tijd stierven bijna alle landzoogdieren in Amerika uit: mammoets, paarden - op de bizon na. Steeds verder trokken de bizonjagers naar het zuiden op zoek naar meer voedsel. |
![]() |
Laatst bijgewerkt 26-04-06 |