2821

Republiek Rome (509 - 400 v. Chr.)

Rome (534 - 509 v. Chr.)

 Nadat de Romeinen de Etruskische heerser Tarquinius Superbus uit de stad hadden verdreven en hun staat hadden uitgeroepen tot republiek (509 v. Chr.) deden de Tarquiniërs nog één poging Rome met geweld terug te veroveren. Hij kreeg daarbij de hulp van Lars Porsenna, de koning van Clusium. Porsenna marcheerde met zijn leger in de richting van de Tiber en verdreef de Romeinen uit hun stellingen op de Januculum. De laatste hindernis tussen Porsenna en Rome was de houten brug over de Tiber. De Romeinen besloten deze te vernietigen. Publius Horatius Cocles ('Eenoog', hij had in een eerder gevecht een oog verloren) meldde zich aan om zolang de Etrusken tegen te houden. Samen met twee gezellen stelde hij zich op vóór de brug om deze te verdedigen zolang ze niet vernield was. Na een tijdje sneuvelden zijn strijdmakkers en zette Cocles het gevecht met het Etruskische leger in zijn eentje verder. Toen de brug ineenstortte, draaide hij zich om en wierp hij zich in volle wapenrusting in de Tiber en zwom hij naar de andere oever. Vanaf die tijd gold het gezegde 'Horatius op de brug' als aanduiding voor de strijd tegen een overweldigende overmacht.

Door de heldendaad van Horatius Cocles was Porsenna er niet in geslaagd om Rome bij verrassing in te nemen, zodat hij geduldig begon de stad te belegeren. Een jong Romeins patriciër, Gaius Mucius, bood vrijwillig aan het Etruskisch kamp binnen te dringen en Porsenna te vermoorden. Hij werd echter gesnapt en men dreigde hem levend te verbranden indien hij weigerde om inlichtingen te geven betreffende de toestand van de belegerde Romeinen. Prompt stak de jongeman zijn rechterhand in een vuur om te laten zien hoe weinig angst hij had voor verbranding. Hij stond kalm te wachten tot zijn hand volledig door het vuur verteerd was. Porsenna was zo onder de indruk dat hij het opgaf om een stad met zulke heldhaftige mensen te belegeren. Hij sloot een vredesverdrag en vertrok, zonder Superbus weer op de troon te hebben geholpen. Gaius Mucius keerde terug naar Rome, en vanaf dat moment mocht hij de bijnaam Scaevola> ('Linkshandige') als derde naam dragen.

De legendarische aanval van Lars Porsenna in 507 v. Chr. op Rome zou gezien kunnen worden als een poging van Clusium om de heerschappij over Rome te veroveren. Of hij al dan niet is geslaagd, zal in Livius' chauvinistische geschiedschrijving niet aan de orde zijn gekomen. In ieder geval duurde de Etruskische invloed in Rome tot ver in de vroege jaren van de Republiek, getuige de Etruskische namen van menige vroege consul. De invloed van de Etruskische cultuur is heel wat belangrijker geweest voor de geschiedenis van Romes ontstaan dan de Romeinse historici doen voorkomen. 

Rond 500 v. Chr. baanden de Kelten, zich een weg door de natuurlijke versperring van de Alpen en kwamen in botsing met de Etruskische kolonisten in het noorden van Italië. De Keltische stammen ontrukten de ene stad na de andere aan de Etrusken en beheersten al gauw de Po-vlakte. Deze streek werd later door de Romeinen Gallia Cisalpina genoemd - Gallië aan deze zijde van de Alpen - en werd door hen niet als een deel van Italië beschouwd.

494 v.Chr. instelling van het ambt van tribuun ter bescherming van het plebs. 

In 493 v. Chr. sloot Rome zich aan bij de Latijnse bond en gezamenlijk begonnen zij de Keltische -stammen der Aequi en Volsci uit de vlakten terug te dringen. 

 

In de loop van de vijfde en vierde eeuw voor Chr. zakte de Etruskische macht volledig in elkaar ten gevolge van de aanhoudende aanvallen van de meest uiteenlopende volkeren: de Syracusanen die hen de heerschappij ter zee ontnamen, de Romeinen die de ene Etruskische stad na de andere innamen, de Samnieten, die hen uit Campania verdreven en vooral de Galliërs, die over omstreeks 500 v. Chr. zich een weg hadden gebaand over de Alpen en de Po-vlakte bezetten. Tegen het einde van de vijfde eeuw zag het er slecht uit voor de Etrusken: verslagen en verdreven uit Campania en uit de Po-vlakte, vochten zij nu wanhopig en zonder succes om de Galliërs uit Etrurië zelf te houden. 

boven: Samnieten

 

Niet ver van Rome, aan de overzijde van de Tiber, lag het Etruskische Veii - een machtige stad met een groot verleden die zowel militair als commercieel een constante bedreiging voor Rome vormde. Veii beheerste de handel en het verkeer over de rivier. Bovendien bezat Veii de waardevolle zoutpannen aan de monding van de Tiber. Vanaf 480  v. Chr. voerde Rome oorlogen tegen verschillende buurstaten: Vosci, Veii en Aequi.  

In 477 v. Chr. slaagde het Romeinse leger er niet in Veii in de slag bij Cremera een nederlaag toe te brengen, maar in de volgende decennia infiltreerde Rome geleidelijk in Etrurië en leidde op die manier de beslissende aanval in. De strijd, waarmee de Romeinen de strijd aanbonden tegen de volkeren die Italië bewoonden deden zij met enorm zelfvertrouwen en met de gedachte dan hun legers onoverwinnelijk waren. De stichting van Rome was, zo redeneerden zij, de wil geweest van de goden en Rome was ver bóven alle andere steden verheven en door de goden voorbestemd groot en machtig te worden. 
Zij kregen gelijk: nog geen eeuw later zou Rome de machtigste staat zijn van het Italiaanse schiereiland.

De Etrusken die nog maar kort daarvoor heer en meester waren op beide Italische zeeën. kregen na van alle kanten klappen te incasseren en werden onweerstaanbaar teruggedrongen in hun kerngebied, waar ze een gemakkelijke prooi waren voor het steedse sterker wordende Rome. In 474 v. Chr. werd de Etruskische vloot verslagen nabij Cumae. In hetzelfde jaar kwam er een wapenstilstand tot stand tussen Rome en Veii.

In 452 v. Chr. bezette Syracuse het eiland Elba.

In 428 v. Chr. veroverde Rome Fidaena. De Samnieten veroverden Capua.

In 406 liep de wapenstilstand, gesloten in 426 v. Chr. ten einde en besloten de Romeinen zelf tot een verovering van Etrurië, dat steeds meer in het nauw gedreven werd door de Keltische legers. De strijd werd nu niet alleen tegen, maar om Veii gevoerd. Het was voor het eerst dat een Romeins leger zomer en winter, jaar in jaar uit, te velde bleef tot het gestelde doel was bereikt en dat de veldtocht door de staat bekostigd werd. 

Het was tevens de eerste keer dat een Romeins leger over de oude noordelijke grens van Latium oprukte. De Romeinen kregen steun van de Latijnen en de Hernici, terwijl Veii door de overige Etrusken in de steek werd gelaten en enkel steun kreeg van de meest nabije steden Capena, Falerii en Tarquinii. Dit is enerzijds wel begrijpelijk, want de meest noordelijke steden werden geteisterd door de Keltische horden, die in 391 v. Chr. de Apennijnen waren overgetrokken om de rijke Etruskische steden te plunderen. Een andere verklaring is de tweedracht in de Etruskische Stedenbond, veroorzaakt door het herinstellen van het koningsschap in Veii, terwijl in de meeste andere steden de adellijke families de stadsstaten bestuurden.

In 406 sloegen de Romeinen het beleg voor Veii en zouden dat tien jaar hebben volgehouden. (Mogelijk is het dat de Romeinse kroniekschrijvers het beleg tien jaar lieten duren als verwijzing naar de Trojaanse Oorlog).  

Rome (400 - 300 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 24-03-03

colofon