2608

Appenijns schiereiland (400 - 90 v. Chr.)

Appenijns schiereiland (500 - 400 v. Chr.) ; Republiek Rome (509 - 43 v. Chr.)

In 396 schond Rome de bepalingen van de Latijnse Bond door opnieuw Etruskisch gebied te annexeren. Nadat de verwoesting van de stad Veii, lag voor Rome de weg open om, gebruik makend van het uitstekende wegennet van de Etrusken, langs gewelddadige of diplomatieke weg haar gezag op te leggen aan het merendeel van de steden in Zuid-Italië. Juist toen deze periode van succesvolle expansie haar hoogtepunt had bereikt; sloegen de barbaren uit het noorden toe. 
In 391 v. Chr. trok een horde van 30.000 Galliërs behorende tot de stam Senones, onder aanvoering van hun leider Brenno (Brennus) de Apennijnen over om het zuiden te plunderen. Een eindeloze colonne van krijgers met lange blonde of rode haren, gevolgd door een stoet van vrouwen, kinderen en ouden van dagen, te midden van grote karren, waarop voorraden en buit werden meegevoerd. 
De Keltische krijgers waren bewapend met ijzeren zwaarden en speren en beschermden zich met een houten of leren schild en een helm die soms van brons was en een kam had in de vorm van een dier of een vogel, waardoor zij langer leken. Andere groepen, die Gaesatae heetten - kennelijk buiten het stamverband staande huurlingen - wierpen voor het gevecht hun kleren af en betraden het slagveld uitsluitend getooid met gouden halskettingen en armbanden. De slag had een hysterisch en gewelddadig verloop. "Ze onthoofdden hun in het gevecht gedode vijanden", schreef Diodorus, "en binden die hoofden aan de hals van hun paard. Dan worden ze aan hun huis gespijkerd; de hoofden van vooraanstaande vijanden worden in cederolie gebalsemd. Die bewaren ze dan zorgvuldig in een kist om ze vol trots aan bezoekers te tonen.

Het Etruskische bondgenootschap had geen enkele betekenis meer. Vanaf 400 v. Chr. kwamen de Etruskische steden alleen voor zichzelf op. Alvorens Rome aan te vallen, belegerden de Galliërs in 390 v. Chr. de Etruskische stad Clusium (de huidige stad Chiusi), die nu een bondgenoot van Rome was en dan ook haar hulp inriep. De Galliërs hadden het kernland van de Etrusken bereikt. Clusium vroeg Rome om hulp, maar in plaats van militaire ondersteuning zon Rome drie gezanten. Met name de Griekse historicus Diodorus Sicullus twijfelde aan de motieven van de Romeinen (ze zouden spionnen zijn geweest om de kracht van de Galliërs te beoordelen) en de uitkomst van de “onderhandelingspoging” liep dan ook niet goed af. Er brak een gevecht uit, waarin één van de Romeinse gezanten een Gallisch stamhoofd doodde. De Galliërs eisten zijn uitlevering, maar de Romeinen weigerden, waarmee ze de Galliërs Rome de oorlog verklaarden.

Op 18 juli, 390 v. Chr. of 387 v. Chr. kwam het tot een veldslag bij de rivier de Allia, een zijrivier van de Tiber. Bronnen neigen er vaak toe om troepenaantallen te overdrijven, maar het lijkt wel vast te staan dat de Romeinen numeriek verre in het nadeel waren. Onder leiding van Quintus Sulpicius werden ze dan ook verpletterend verslagen. De weg naar Rome lag open. Daar hadden de inwoners de boodschap inmiddels begrepen en waren massaal gevlucht: een deel naar de nabije stad van de Veii; het weerbare deel naar het Capitool. De Galliërs konden intussen Rome ongehinderd brandschatten en probeerden zelfs het Capitool te bestormen (volgens de legende werd bij één van die pogingen op het laatst alarm geslagen door de heilige ganzen van Juno). Dat lukte hun echter niet en een bezettingsperiode van zeven maanden brak aan voor de rest van Rome. Na deze maanden was er echter een impasse ontstaan. De Romeinen zaten veilig maar raakten langzaam uitgeput en de Galliërs schoten niets op en werden geplaagd door ziekten en voedselgebrek. Uiteindelijk kwam het tot een vergelijk: de Romeinen zouden de Galliërs een losgeld betalen waarop die Rome zouden verlaten. Een aanzienlijk aantal van hen zou achterblijven in de Po-vlakte, want het was een vruchtbaar gebied met een redelijk klimaat. Zij zouden twee eeuwen lang voor de Romeinen een permanente bedreiging blijven vormen. 
In Noord-Italië zette de bloei van de Etruskische cultuur zich nog een tijd voort. In 90 voor Chr. werd de Etrusken het Romein burgerrecht verleend, waarmee de autonome Etruskische cultuur ophield te bestaan. 
Uit deze laatste fase van de Etruskische cultuur stammen bronzen spiegels met ingegraveerde versiering, toiletartikelen en wierookbranders. Op de deksels van stenen of terracotta askisten zijn de overledenen in liggende houding afgebeeld.

rechts: Een stel paarden trok eens een strijdwagen over het fronton van een tempel uit de 3e eeuw v. Chr.

Rome (100 - 1 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 25-03-03

colofon