2967

Ecomische achteruitgang in de 3e eeuw na Chr.

Eén van de fundamentele problemen van de precaire economische situatie in het Romeinse rijk, was de ontvolking, die nog werd verscherpt door de neiging van veel mensen, pachters, kleine boeren en kooplieden, om hun zaken eraan te geven, gezien de enorme belastingdruk. Ze verhuurden zich aan grotere landbouwbedrijven, trokken naar de stad, of, als ze de wanhoop nabij waren, voegden zij zich bij het groeiend aantal benden dat het platteland onveilig maakte. Deze trend had nu schrikbarende proporties aangenomen en zou zeker tot een totale economische ineenstorting hebben geleid als er geen maatregelen waren genomen. 

Diocletianus en zijn opvolgers grepen naar het enige middel dat hen ten dienste stond: in een serie edicten werden de mensen wettelijk aan hun beroep gebonden; ambachtslieden moesten binnen hun gilde blijven, pachters werden gebonden aan het land dat zij bewerkten en hun zonen zouden later het beroep van hun vader moeten voortzetten. 

Dankzij deze harde maatregelen werd de weg geplaveid voor een de betrekkelijke welvaart van de 4e eeuw. Verder was er nog een probleem: het slaventekort. Het Rijk had altijd gesteund op de slavernij. Slaven werkten op de akkers van de grootgrondbezitters, in de mijnen, op de schepen, in de werkplaatsen en in de huishouding van welgestelde Romeinse families.

Dankzij deze slaven kon de verpauperde massa in de steden met brood en spelen worden zoet gehouden, kon een kostbaar bestuursapparaat in stand worden gehouden, konden de huurlegers worden betaald en kon een kleine groep welgestelde Romeinen zich een enorme weelde en luxe veroorloven. Zolang er genoeg slaven beschikbaar waren, was er niets aan de hand. Voorheen konden de Romeinen genoeg slaven buitmaken bij hun veroveringen. Maar aan de grote veroveringsoorlogen en de slavenjachten was een einde gekomen, evenals aan de zeeroverij. Het aantal slaven nam zelfs alleen maar af: slaven werden namelijk na de dood van hun meester in vrijheid gesteld of konden zich na verloop van tijd vrijkopen. Daardoor waren veel slaven vrije burgers geworden. 

Door het tekort aan goedkope werkkrachten waren veel grootgrondbezitters gedwongen hun landerijen te verpachten aan kleine boeren, vaak ex-slaven en krijgsgevangenen, die hen een deel van de opbrengst van het land als pacht afdroegen en in de zaai- en oogsttijd op het land van hun heer werkten. Om deze inkomsten veilig te stellen werd bepaald dat de boeren hun leven lang op hun stukje grond moesten blijven wonen. Ook de ambachtslieden en vakarbeiders werden gedwongen hun leven lang hetzelfde vak te blijven uitoefenen en hun zoons moesten in de voetstappen van hun vaders treden. Door deze maatregelen werd de keizer nog meer dan zijn voorgangers een alleenheerser. Hij bepaalde zelfs de prijzen van de goederen en het loon van de artsen en leraren. Ondanks deze maatregelen daalde de productie en dus ook de staatsinkomsten.  

Voor het slaventekort vonden de Romeinen een tijdelijke oplossing: de Germanen voerden regelmatig strijd tegen de Slaven, een volk dat zich in het noordoosten van Europa had gevestigd. Op hun rooftochten namen de Germaanse stammen meestal duizenden Slaven gevangen. Ondernemende Romeinse kooplieden begonnen nu met de Germaanse stammen een ruilhandel, waarbij zij landbouwwerktuigen, huishoudelijke artikelen, wijn en opzichtige sieraden ruilden voor gevangengenomen Slaven. Op de slavenmarkten in het Romeinse Rijk werden zij aan welgestelde Romeinen verkocht als huispersoneel, landarbeiders of gladiatoren. Oorspronkelijk had de naam "Slaven" de betekenis van "Roemrijken". Maar na verloop van tijd zwoegden zoveel van deze ongelukkigen in gevangenschap, dat hun naam de huidige betekenis heeft gekregen. 

Ondanks deze nieuwe "slaven" bleef het economisch bergafwaarts gaan. Vooral in het westen ging de productie door tekort aan arbeidskrachten nog verder achteruit. Het aansporen van Germaanse stammen om zich binnen de grenzen van het rijk te gaan vestigen, had nauwelijks effect. Steeds meer geld verdween naar het oosten, waar wél een bloeiende nijverheid bestond. 

Op het laatst werd in het westen alleen maar ruilhandel bedreven. De herenboeren konden zelf nauwelijks het hoofd boven water houden. De prachtige Romeinse villa's en andere bouwwerken raakten in verval. Nog erger werd het toen Romeinse soldaten uit het oosten een vreselijke ziekte meebrachten: de pest. Duizenden mensen stierven aan deze ziekte. Daardoor waren er nog minder mensen om de akkers te bewerken en de industrieën draaiende te houden. 

De plunderingen van de barbaarse invasie, de kolossale onkosten van het onderhoud van het leger, de ontvolking en de onderproductie, het verlies van de Dacische zilver- en goudmijnen (het gebied van de vroegere Romeinse provincie werd tijdens het bewind van Publius Lucinus Valerianus (253-260) in handen gevallen van de Goten en het totale gebrek aan economisch inzicht bij de Romeinse bestuurders, leidde bij elkaar tot een duizelingwekkende inflatiespiraal. Volgens schattingen waren de prijzen in het derde kwart van de 3e eeuw met bijna 1000 procent gestegen. 
De geldswaarde daalde catastrofaal, in 50 jaar (235-285) met maar liefst 70%. Dit had natuurlijk een uiterst nadelige invloed op handel en industrie. De mensen verloren alle vertrouwen in het geld als waardestandaard en gingen over tot ruilhandel. Zelfs de staat betaalde zijn arbeiders en soldaten in natura. 

laatst bijgewerkt: 12-06-07

colofon