5150

Nieuwe Kunst - Kunstnijverheid rond 1900 

19e eeuw

Klik hier voor het frame van de pagina

Tegelijk met de neostijlen ontstonden in verschillende landen, in de bouwkunst en de kunstnijverheid, kleine bewegingen die zich afzetten tegen de "terreur" van de neostijlen. Ook zette men zich af tegen de snelle ontwikkeling van de machinale productie. De naam "Jugendstil" is afgeleid van een Duits tijdschrift dat "Die Jugend" heette. In België en Frankrijk spreekt men van Art Nouveau. Deze naam komt van een kunstzaak in Parijs die in deze nieuwe stijl was ingericht, ingericht door de Belgische architect Van de Velde.

Rond het midden van de 19e eeuw begonnen enkele kunstenaars in Engeland zich te verzetten tegen de massa's lelijke en alledaagse gebruiksvoorwerpen, zoals meubelen, lampen, wandbetimmeringen, siervoorwerpen, enz. die in de fabrieken werden gemaakt. 
Zij wilden het aloude handwerk weer in ere herstellen en zochten daarbij naar nieuwe vormen en stijlen. met de hand werden prachtige boekbanden, vazen van glas en aardewerk, behangselpapier en stoffen, bedrukt met schitterende patronen.
Uit Java waaide de kunst over van het batikken. Grote aandacht werd ook besteed aan glas-in-loodramen, aardewerk en porselein, meubelmaken en houtsnijden, geweven tapijten, allerlei voorwerpen van ijzer, koper, tin en brons, gouden en zilveren sieraden en boekbanden. Vaak werden al deze gebruiksvoorwerpen met de hand vervaardigd en ontworpen door beroemde kunstenaars.

De architecten van rond de eeuwwisseling wilden niet meer de bouwstijlen van vroeger imiteren, maar bouwen in een geheel eigen, nieuwe stijl. Zij wilden ook de producten uit de kunstnijverheid, zoals glas-in-loodramen  ijzeren smeedwerk, houtsnijwerk en aardewerk siertegels (tegeltableaus aan gevels en in portalen) en beeldhouwwerk in steen in hun ontwerpen verwerken. Planten, dieren en vrouwelijke figuren met wapperende haren en gewaden waren zeer geliefde motieven. Ook sierlijk slingerende lijnen in de vorm kronkelende bloemstengels of van een zweepslag, werden veelvuldig als decoratie toegepast o.a. in balkons, trappenhuizen, deurkrukken en scharnieren. De ramen waren vaak niet meer rechthoekig. Aan de bovenkant werden zij boogvormig. Ook pasten de architecten nieuwe materialen toe, zoals beton en gietijzer.  Dit gebeurde niet alleen in dure woonhuizen, maar ook in openbare gebouwen als postkantoren, stationsgebouwen, kantoren en banken, stadhuizen, theaters, bioscopen en hotels. Prachtige voorbeelden van deze nieuwe architectuur zijn te vinden in de grote Europese steden als Brussel, Parijs, Wenen, Praag en Boedapest. In Barcelona werd de nieuwe architectuur sterk beïnvloed door de kunstenaar Gaudi. 

In Amsterdam ontstond rond ca. 1910 eveneens een geheel eigen bouwstijl: de Amsterdamse School.

In Nederland ontstond de stroming "Nieuwe Kunst" uit dezelfde wil tot vernieuwing als de Jugendstil. Toch was het niet hetzelfde: de nieuwe kunst zocht meer een oplossing voor vormgeving- en constructieproblemen, waarbij men soms wel gebruik maakte van Jugendstilornamenten. De beoefenaren van de Nieuwe Kunst hadden veel kritiek op de Jugendstil: ze vonden deze "lichtzinnig en on-Nederlands".Toch zijn een in Nederland een hoop voorbeelden te vinden uit de periode 1895-1910 met de volgende Jugendstilkenmerken:
  • Uitstulpsels zoals hoektorens, topgevels, dakkapellen, balkons en loggia's (inpandige balkons)
  • Grote kozijnen, vaak omgeven door natuursteen
  • Tegeltableaus, smeed- en houtsnijwerk in Jugendstilornamenten
  • Gevels in verblendsteen

Centraal Apotheek

Centraal Apotheek in Groningen (1905) door Broekema, met hoektoren, loggia (inpandig balkon), dakkapel en uitwendige balkons

 

 

 

 

 

 

De kunstenaar Gerrit Willem Dijsselhof (1866-1924) bond de strijd aan met de donkere en zwaar gestoffeerde interieurs die achter de gesloten Amsterdamse gevels verscholen gingen.

Hij schiep een uniek vertrek, dat in 1931 door het Gemeentemuseum Den Haag werd verworven en door de toenmalige directeur H.E. van Gelder zelfs ‘de apotheose der jongere Nederlandsche kunstnijverheid' werd genoemd. Een stijlkamer als een verkwikkende boswandeling.

Ooit kleurde het diepste indigo de blauwe regen. Het groen van de acacia was van een frisheid die de pelikanen zichtbaar hongerig maakte. De goudfazant koesterde zich in zijn nog warme, cachou-bruine veren. Al even sierlijk bogen overvolle varens en de ruisende takken van de treurwilg zich naar de grond. Nu, ruim honderd jaar later, heeft die gestileerde natuur misschien niet meer de frisheid van een vroege zomerdag in mei. Het gebladerte is verbleekt, de verenpracht getaand. Maar niet de stilte, niet de rust die deze roerloze wereld uitstraalt. Zelfs nu nog imponeren het experiment en de vernieuwingsdrang van weleer.

'Kijk om je heen', had de jonge Dijsselhof tijdens zijn academietijd al geroepen, ‘en zie hoe alles zielloos is'. Toen hij in 1895 werd benaderd door de Amsterdamse huidarts Willem van Hoorn om diens salon aan de Nieuwezijds Voorburgwal in te richten, pakte de kunstenaar de opdracht dan ook met beide handen aan. Jarenlang zou hij werken aan dit vertrek, dat een stilzwijgend protest werd tegen de stijlloze eeuw waarin hij was opgegroeid. Een aanval tegen valse illusies en schone schijn. Een ode aan het ambacht, dat onder de rook van walmende fabrieksschoorstenen verloren dreigde te gaan. Een eerbetoon aan de noest werkende middeleeuwer, aan de serene kunst van de Japanner en aan de natuur als de enige, ware leermeester.