11.721

Osmaanse Rijk (1807-1909)

Osmaanse Rijk (1703-1807)

Mustafa lV (1807 - 1808)

Mustafa IV, de zoon van Abdülhamit I en 29e Sultan van het Osmaanse Rijk volgde in 1807 zijn neef Selim III op. Hij werd aan de macht geholpen door tegenstanders van zijn neef Selim III die het leger wou hervormen. Enkele maanden na de moord op Selim III werd hij afgezet door zijn broer Mahmut II, die hem meteen liet vermoorden.

Mahmud ll (1808 - 1839)

Mahmut II probeerde tevergeefs de macht van zijn rijk te versterken. Hij leed tussen 1806 en 1812 een nederlaag tegen Rusland en moest enkele gebieden in Klein-Azië afstaan.

Servische onafhankelijkheidsstrijd. 

Op de Balkan vormden de Janitsaren, de elitetroepen van goedgetrainde soldaten van het Osmaanse Ri een krachtige politieke macht. Zij hadden in de loop der tijd bij de sultan vele rechten weten los te peuteren. Zo mochten zij voortaan trouwen (wat eerst verboden was) en kregen zij hoge salarissen en werden ook de zonen van Janitsaren als Janitsaar geaccepteerd. De laatste stap was het willekeurig mogen accepteren en inschrijven van nieuwe leden, waarvan de sultan de kosten moest dragen. 

Dit leidde tot een dramatische achteruitgang van de kwaliteit van het korps. Van een elite-eenheid werden zij tot een groep profiteurs die in weelde aan het hof of in de provincies leefde en de christelijke boeren aldaar uitperste. 

De onbekwaamheid en onbetrouwbaarheid van de janitsaren leidde tot de Eerste Servische Opstand.
In de periode van 1804 tot 1814 hadden de Serviërs bijna het Turkse juk weten af te werpen. De pashalik Belgrado kwam in opstand, maar werd in 1814 door de Turken heroverd toen de Serviërs in een interne verdeeldheid verwikkeld waren. De leider van deze opstand, Karadorde, vluchtte naar Roemenië. De Turken, die ook beseften dat de diepere oorzaak in het wanbeleid van de Janitsaren lag, behandelden de Serviërs aanvankelijk lankmoedig. Na een paar maanden veranderde dit echter, en beschouwden de Turken het als hun goed overwinnaarsrecht de Serviërs financieel uit te knijpen. In 1815 brak hierop een tweede opstand uit, deze keer onder Milos Obrenovic.

Obrenovic wist de Turken militair te verslaan, maar begon, zodra hij de ruimte hiervoor had, meteen met de Turken te onderhandelen. Hij overtuigde de sultan dat hij slechts de Serviërs enige autonomie wilde gunnen, maar wel onder het Turkse gezag. Obrenovic erkende het gezag van de sultan, en werd op zijn beurt in december 1815 als vorst van Servië erkend. De souvereiniteit was beperkt, en in Zuid-Servië bleven Turkse troepen gelegerd, maar de Serviërs konden na 400 jaar eindelijk hun eigen zaken behartigen.

Door diplomatie en omkoping wist Obrenovic zijn positie te versterken. Hij benadrukte hierbij altijd zijn trouw aan de sultan. Toen Karadorde het in 1817 waagde om terug te keren naar Servië, liet Obrenovic hem onthoofden en stuurde zijn hoofd naar Istanbul. Obrenovic en zijn opvolgers wisten de Servische autonomie verder uit te breiden. Door de belastinginkomsten werd hij rijker en rijker en ten slotte wist Obrenovic concessie na voor leningen concessie van de sultan los te krijg.

Toen sultan Mahmut II het leger wilde moderniseren kwamen de Janitsaren in opstand (1826). Nadat zij zich in het Hippodroom hadden verzameld, liet de sultan hen omsingelen en geheel uitmoorden.

In 1830 werd Obrenovic erfelijk vorst, in 1867 vertrokken de laatste Turkse troepen, en in 1878 werd Servië volledig onafhankelijk.

Griekse onafhankelijkheidsstrijd

In het begin van de 19e eeuw kwam er ook in Griekenland verzet tegen de Turkse overheersers. Dit verzet nam hand om hand toe, naarmate het Ottomaanse rijk meer tekenen van verzwakking vertoonde. Vele moegetergde boeren vluchtten de bergen in als hun dorp geplunderd werd of een Turks garnizoen moest herbergen. In onherbergzame gebieden hielden zij stand als ondergrondse strijders voor de vrijheid. Het streven van de Grieken om los te komen van het in ontbinding verkerende Turkse rijk werd door de grote mogendheden besproken in 1815 op het Wener Congres, maar Engeland voelde er niet veel voor, omdat het de veroverde Ionische eilanden voor zichzelf wenste te behouden. De drang naar onafhankelijkheid en de propaganda van geheime genootschappen van filhellenen hadden echter succes: in 1821 brak er een algehele opstand tegen de Turken uit. Dit geschiedde overigens volgens een vooropgezet plan: een door de filhellenen gefinancierd leger zou vanuit Rusland het Donauvorstendom Moldavië binnenvallen dat onder Turks bestuur stond. Dit veroorzaakte een golf van instabiliteit in het rijk, wat de Grieken de kans zou geven een opstand te beginnen. Al spoedig kregen de opstandelingen echter af te rekenen met tegenslag. Verschillende groepen opstandelingen begonnen direct na het verdrijven van de Turken elkaar te bevechten. Ibrahim Pasja, de geadopteerde zoon en opperbevelhebber van gouverneur Mohammed Ali van Egypte, kwam met zijn Egyptische troepen de sultan te hulp. Met bloeddorstige wreedheid onderwierp hij verscheidene eilanden: op Chios werden 23.000 mensen vermoord ("Le Massacre de Scio"). Hij veroverde de Pelopónnesos en drong door tot Midden-Griekenland. In 1826 vielen Athene en de sterke vesting Mesolongi hem in handen. De Griekse opstand was in bloed gesmoord, het land verwoest. Slechts het eiland Hydra hield met behulp van zijn sterke vloot stand.
Intussen had de openbare mening in Europa partij gekozen voor de Grieken; de filhellenen stuurden geld, wapens en vrijwilligers. Ze verafschuwden de Turkse moordpartijen op de Grieken, die ze als afstammelingen van de helden van Marathon en Thermopylae beschouwden. De bekendste filhelleen was de Engelse dichter Lord Byron, die zich, na een zwerversleven door Europa, in 1824 als vrijwilliger meldde in het belegerde Messolóngi, waar hij drie maanden later aan de malaria bezweek. In 1827 keerde alles ten goede: Rusland, Frankrijk en Engeland grepen in. Hun vloot bracht de Turks-Egyptische vloot in drie uur tijd ("een flink pak slaag, heren") de nederlaag tijdens de Slag van Navarino, op de westkust van de Pelopónnesos ten noorden van Pylos. De Turken werden verdreven uit de Pelopónnesos en Midden-Griekenland. Dit bevrijde gebied werd een republiek met Joannis Kapodístrias als president. Na moeizame onderhandelingen werd de onafhankelijkheid van Griekenland in 1830 door het Congres van Londen officieel erkend.

Na de nederlaag bij Navarino en het Congres van Londen kreeg Mahmud ll een conflict met zijn Egyptische vazal Mohammed Ali. Deze vond dat hij recht had op betaling voor zijn diensten, maar de sultan was van mening dat hij deze diensten sowieso had moeten verrichten omdat hij hem nu eenmaal loyaliteit verschuldigd was. Bovendien was er geen resultaat geboekt (no cure no pay). Dit conflict leidde ertoe dat Mohammed Ali tegen de sultan in opstand kwam en hem tot twee keer toe wist te verslaan.

De Sultan reorganiseerde zijn leger en versloeg de Janitsaren, die zich tegen de vernieuwingen hadden verzet, in 1826. Zes jaar later moest hij Syrië afstaan aan Mohamed Ali nadat hij hem het gouverneurschap had geweigerd. Deze slag werd niet ver van de stad Konya uitgevochten. 

Dank zij de Russen werd Ali ervan weerhouden om in 1833 ook nog Constantinopel op te eisen. Mahmut legde ook de grondvesten voor de Tanzimat, de eerste bestuurlijke en politieke liberalisering in het Osmaanse Rijk. Na zijn dood in 1839 werd hij opgevolgd door zijn zoon Abdülmecit.

Links: sultan Mahmud ll op zijn troon.

Abdülmecit I (1839 - 1861)

Andülmmecit gaf de opdracht voor de bouw van het Dolmabahçe- paleis. De bouw van het paleis werd in 1843 gestart. Dertien jaar later in 1856 betrok sultan Abdülmecit met zijn gevolg het weelderige en zeer luxe paleis.

Volgens een andere bron startte de bouw van het paleis al in 1831 in opdracht van sultan Mahmud ll en werd de bouw na acht jaar voltooid (1839). Abdülmecit l liet het paleis uitbreiden (of op de plaats van het oude paleis een nieuw paleis bouwen) en verhuisde deze de regering er naar toe.
De financiering van de bouw werd gedaan door het afsluiten van leningen bij buitenlandse banken. Het toch al in licht verval rakende Osmaanse tijdperk, kwam door de bouw van dit paleis zodanig in de schulden en problemen dat hierdoor uiteindelijk het einde van het Osmaanse tijdperk werd ingeluid.
Het paleis ligt over een lengte van zo'n 600 meter aan de oevers van de Europese zijde van de Bosporus. 
Het paleis is maar liefst 14.595m² groot en telt 285 kamers en 43 zalen. Het interieur, bedacht door een Franse operadecor-ontwerper die alle remmen los gooide, overlaadde het interieur met frutsels en tierelantijen. De extravagantie van het paleis doet niet vermoeden dat het Osmaanse rijk bij zijn bouw zijn beste tijd had gehad. Het middelpunt van het paleizencomplex is de zeer luxe ingerichte troonzaal. De zaal is 46 meter lang, 44 meter breed In de troonzaal hangt één van de grootste kroonluchters ter wereld 750 lampen in kaarsvorm. In het interieur is veel bladgoud, marmer, verschillende kleuren, enorme kandelaars en de grootste spiegels ter wereld, verwerkt. 
Bijzonder mooi is de glazen trap met een ballustrade van kristal, de Hamam van de sultan met wanden van Eyptische albast en de Mavi salon. In 1853 nam het Dolmabahce-paleis de functie van sultanshuis over van het Topkapi-paleis.

Rechts: de koepel in de troonzaal heeft een hoogte van 36 meter. 

Abdulaziz (1861 - 1876)

Abdül-Aziz volgde in 1861 zijn broer Abdülmecit op. Onder zijn bewind kwamen belangrijk vernieuwingen tot stand, met name op het gebied van het onderwijs. In 1867 bezocht hij als eerste Turkse Sultan West-Europa. Hij bezocht in dat jaar de Parijse wereldtentoonstelling en was in Koblenz te gast bij koning Wilhelm van Pruisen, de latere kaiser Wilhelm I.
Abdülaziz gold als 'in veel opzichten sobere man van grote persoonlijke digniteit'. Buitenlandse bezoekers waren diep onder van zijn verschijning: 'een trotse, stoer kijkende kerel', de graag een potje mocht olieworstelen. Als de sultan zich in de keizerlijke sloep naar het vrijdagsgebed liet voeren, vertoonde hij 'een sombere uitdrukking' en keek hij 'strak voor zich uit, geen aandacht schenkend aan de hem toejuigende massa's langs de waterkant'.
Ontevredenheid over zijn bewind, met name over zijn verkwistend leven, en onder meer tot uiting komend in relletjes van theologische studenten in de hoofdstad (1876), dwong hem een constitutioneel gezinde regering te benoemen; door de nieuwe ministers werd hij afgezet en vervangen door zijn neef Murat V. 

Nadat Abdülaziz was afgezet werd zijn paleis geplunderd. Op 4 juni 1876 werd hij te Istanbul vermoord op 46-jarige leeftijd. Met doorgesneden polsen werd hij in het Ciraganpaleis teruggevonden. Het zou zelfmoord heten. Abdülaziz werd bijgezet in de Cemberlitas-türbe (met Mahmud II en Abdülhamid II) aan de Divanyolu te Istanbul.
Murad (Murat) V (1876)

Murad V, de zoon van Abdul-Mejid I werd in 1876 na de staatsgreep onder leiding van Midhat Pasja op de troon gezet; maar hij voldeed niet aan de hoge verwachtingen van de hervormingsgezinde partij van Midhat. In hetzelfde jaar werd hij afgezet wegens (vermeende) krankzinnigheid, en opgevolgd door Abdul-Hamid II

Abdulhamid II (1876 - 1909)

Murad V werd in 1876 opgevolgd door zijn Abdulhamid ll.

In het jaar dat hij op de troon belandde, verklaarden Servie en Montenegro hem de oorlog. Turkije heette 'de zieke man van Europa', omdat het Turkse rijk al tientallen jaren gestaag aan het afbrokkelen was. Na de oorlogsverklaring van Servie en Montenegro spoedden zo´n 3.000 Russische vrijwilligers naar het gebied om hun geloofsgenoten bij te staan. Generaal Cherniaev, de held van het Russische succes in Centraal Aziê, nam het commando over. Maar na de Slag om Morava en de Slag van Djunis in oktober 1876 werd Servia slechts gered door een Russisch ultimatum. Abdulhamid wenste slechts vrede en tekende de wapenstilstand. In Bessarabia verenigden zich intussen 200.000 Russische troepen. De wapenstilstand diende helaas niet voor de vrede, maar om de Russen respijt te geven om hun vijandelijkheden te kunnen hervatten in het volgende stadium van de Russische-Turkse oorlog

In 1876 werd de eerste Turkse grondwet afgekondigd, 

In mei 1877 verklaarde de autonome provincie Romania (bestaande uit Wallachie en Moldavie) binnen het Turkse Rijk zich onafhankelijk.

Bij het Congres van Berlijn (1878) werd Servië, zelfstandig.

In 1878 zond Abdulhamid ll het parlement naar huis, trok de grondwet in en sindsdien voerde hij een autocratisch bewind en kwam er een einde aan alle verdere liberaliseringspogingen. Hij ging regeren als een ware dictator en steunde daarbij op zijn geheime politie. Hij was de verantwoordelijke van de slachting van Armeniërs (1895-1896). De modernisering van de wetgeving en de administratie werd evenwel voortgezet. 

In 1881 verloor Abdulhamid ll Tunesië en in 1885 Bulgarije; overal in het rijk braken opstanden uit en de beweging van de Jong-Turken kwam tot ontwikkeling. Rond 1880 raakte het Osmaanse rijk bankroet en kwam het onder curatele van Frankrijk en Engeland. In 1908 herstelde Abdulhamid ll de grondwet, maar dit was te laat. In hetzelfde jaar grepen de Jong-Turken de macht; Oostenrijk-Hongarije annexeerde Bosnië-Hercegovina; 

Na een mislukte contrarevolutionaire staatsgreep in 1909 besloot de Nationale Vergadering hem af te zetten en te verbannen naar Saloniki in Griekenland. Later werd hij in Constantinopel geïnterneerd, waar hij in 1918 overleed.

Abdulhamid II wordt door velen gezien als de ´laatste´ der Osmaanse heersers. De twee broers die na hem de troon bestegen (Mehmet V), gingen de geschiedenis in als vago´s die het ooit zo machtige Osmaanse Rijk zouden uitverkopen aan het westen.

Mehmet V (1909 - 1918)

Tijdens het bewind van Mehmet V hadden verschillende oorlogen plaats die allemaal in het nadeel uitvielen van het Osmaanse Rijk. In de Libische Oorlog veroverde de Italianen Libië. Aan deze oorlog namen zowel Enver Pasha als Mustafa Kemal Atatürk als militairen deel. In de Balkanoorlogen werden de Europese landen, die in het bezit van de Ottomanen waren, onafhankelijk. De laatste nadelige oorlog was de Eerste Wereldoorlog, die het begin van het einde van de Ottomaanse Dynastie in luidde. Hij werd opgevolgd door zijn broer Mehmet VI Vahideddin.

Mehmet VI Vahideddin (1918 - 1922)

Mehmet VI 'Vahideddin volgde in 1918 zijn broer Mehmet V op. Mehmet VI zou slechts vier jaar sultan zijn en meteen ook de allerlaatste. Hij was nog maar amper aan de macht toen de westerse Geallieerde troepen belangrijke delen van het Osmaanse Rijk bezetten en ook Istanbul binnenrukten. Dat was tegen de zin van de leider van de Nationalisten Mustafa Kemal Atatürk. Mehmet VI daarentegen koos uit angst voor de andere Europese grote mogendheden de zijde van de Geallieerden. Het steunen van Atatürk zou immers het einde betekenen van het sultanaat. Mehmet VI sloot daarom het Verdrag van Sèvres in 1920, maar dat werd nooit in de praktijk gebracht. Wanneer op 1 november 1922 het sultanaat toch werd afgeschaft, vluchtte Mehmet naar Malta. Later verhuisde hij naar San Remo, in Italië, waar hij in 1926 overleed. Toen was de voormalige Nationalisten leider Atatürk al staatshoofd geworden van het moderne Turkije.

Osmaanse Rijk (1909-1920)

laatst bijgewerkt: 17-12-05