4443

Het verkeer in de stad

Amsterdam (1850 - 1900)
Boven: Het Lange Voorhout in Den Haag, schilderij van B.J. van Hove (1790 - 1880)

Tot omstreeks 1860 was er in de straten van de steden nauwelijks nog verkeer. Sommige bewoners hielden nog kippen, die 's zomers de hele dag ongestoord op het plein konden rondscharrelen, zonder dat zij hun leven al te zeer in de waagschaal hoefden te stellen. 

Het verkeer bestond alleen uit voetgangers, paardenkoetsen (vigilantes), handkarren en sleperswagens. Tegen donker kwamen de lantaarnopstekers met hun lange stokken de gaslantaarns aansteken. Nu werd het nacht, nu zou de rust komen; iedereen ging naar huis, deed de gordijnen en de luiken dicht; men had afgedaan met de straat, met de stad. Stil als een dorp waren 's avonds de Amsterdamse grachten. Af en toe hobbelde er een kar over de keien of een huurkoetsje met een koetsier in een lange zwarte jas en een hoge hoed op de bok. Zij brachten hun passagiers naar een diner, een feest of een kinderpartijtje. Voor de deur stonden de koetsjes in een lange rij achter elkaar eindeloos te wachten tot het feest was afgelopen. 

Rechts: Zandstraat Rotterdam

De koetsiers sliepen op de bok of stonden met de voeten stampend en met de armen zich warm slaand met elkaar te praten. De paarden, dikwijls oud of slecht gevoed, stonden met knikkende knieën, bedekt met paardendekens, tijden en tijden in regen of sneeuw duttend te wachten. Er is dan wel een feest aan de gang, maar niet voor de koetsiers en de paarden. Een huurkoetsje kon je bestellen bij een stalhouderij, maar je kon een "aapje"ook aanroepen op straat of naar een standplaats gaan.

George Hendrik Breitner: Sleperspaarden in de sneeuw.
G.H. Breitnet (1857 - 1923) "Amsterdams stadsgezicht in de winter met sleperskar"
De "aapjeskoetsiers" van de huurkoetsjes of vigilantes waren omstreeks 1870 nog heer en meester in de Amsterdamse straten. Het aantal rijtuigen dat in de Amsterdamse straten rondreed werd toen geschat op 300. Dit aantal zou daarna teruglopen tot zo'n 70 koetsjes in 1893. Dichte huurkoetsjes met koperen kaarsenlantaarns aan weerszijden  werden ook wel "brommertjes" genoemd. 
Zij brachten de zakenlieden naar hun bestemming. Alleen rijke mensen hadden een eigen rijtuig met mooie paarden en een koetsier op de bok. Chic was een rijtuig in schuitmodel. Daar kon men zalige tochten mee maken. Het lak glansde en het koper glinsterde en de kap ging omlaag. 
Het kruispunt Prins Hendrikkade - Damrak
Na 1860 nam het verkeer enorm toe. Aan het eind van de 19e eeuw wemelde het in de stad van de handkarren en bakfietsen. Voor eenieder die met een volgeladen handkar of bakfiets op stap was, waren de bruggen zeer lastige obstakels. Gelukkig stonden er bij de opritten van deze bruggen altijd wel een paar mannen die voor een kleine vergoeding te hulp wilden schieten. "bruggentrekkers" of "kar-ga-doors" worden ze genoemd. 

laatst bijgewerkt: 19-02-06