10.514

Gaslicht

Binnenshuis verlichtte men de huizen nog lang in de 19e eeuw met kaarsen en olielampen. Voor de straatverlichting werd steeds meer overgegaan op gaslicht

Op straat in de steden en ook wel in de grotere gebouwen, was omstreeks 1870 het gaslicht vrij algemeen in gebruik. Wonderlijk zolang als de weerstand tegen het gas geduurd heeft. Toen in 1816 bij de feesten ter gelegenheid van hun huwelijk de kroonprins en de Russische grootvorstin Anna Polowna in Amsterdam verbleven, had men de grote zaal van het "Besjeshuis" aan de Amstel door "koolstoffig watergaz" verlicht. 

Het was de eerste uitgebreide proefneming. Pas veertig jaar later kreeg Amsterdam gaslicht op straat, waarna men het hier en daar ook binnenshuis eens ging proberen. Maar gas verlichting konden zich alleen de rijkere mensen veroorloven. Op het platteland kwam gas verlichting nauwelijks voor, omdat daar nog geen gasleidingen waren gelegd. 

Voor het maken van gas werden gasfabrieken gebouwd. De eerste gasfabriek in ons land, gebouwd in 1825, stond in Amsterdam. Fabrieken, scholen en huizen werden aangesloten op het gas. Gaslampen waren goedkoper dan olielampen en in het gebruik minder gevaarlijk. 

 

Ook de straatverlichting werd verbeterd. De oude olielampen werden vervangen door gaslantaarns. Die gingen niet automatisch aan en uit, maar werden 's avonds aangestoken en 's ochtends gedoofd door een lantaarnopsteker

laatst bijgewerkt: 05-08-02

colofon