8187 |
Straatverlichting in de steden |
![]() |
Wanneer de zon onderging, werd het in de stad volslagen duister. En duisternis betekende gevaar: brand, diefstal, moord, of het vallen in de gracht, want er waren geen hekken langs het water. In de 16e eeuw verscheen de eerste openbare straatverlichting. Aan de hoeken van gebouwen en bij de toegang van gevaarlijke bruggen werden kleine olielampjes geplaatst. Later verschenen er hier en daar aan de gevels lantarentjes met een klein vetkaarsje erin, maar veel licht gaven die niet. Dat veranderde pas in de tweede helft van de 17e eeuw. Er kwam toen straatverlichting met olielampen.
Bij het vallen van de avond gingen de lantaarnopstekers op pad met hun ladder en een doek waarmee zij de lampenglazen, die door de oliewalm waren beslagen, moesten schoonmaken. De hoeveelheid olie, die zij in de lampen deden, werd afgepast naar de lengte van de nacht. Er was één nachtelijk gevaar dat door de straatverlichting niet werd verminderd, eerder vergroot: brand, de ergste ramp die de stad kon overkomen. laatst bijgewerkt: 18-02-04 |
![]() |