xxxx Polen - Litouwen (1794 -)
Polen - Litouwen (1697 - 1794)

Koninkrijk Polen en Russische onderdrukking

Nadat de opstand van Kosciuszko (1794) was neergeslagen door Pruisen, Oostenrijk en Rusland en de Poolse koning was gedwongen af te treden werd het restant van het land volledig verdeeld onder de drie mogendheden .  De Pruisische grens verschoof naar het oosten tot voorbij Warszawa. Vilnius en alles ten noorden en ten zuiden ervan ging naar Rusland. Oostenrijk nam de gebieden rond Kraków en Lublin. Kraków zelf bleef vrijstad tot in 1846.

De drie bezetters begonnen meteen het land te koloniseren. Overal werd onmiddellijk de lijfeigenschap terug ingevoerd. Vele Polen en Litouwers gingen vrijwillig in ballingschap (naar Italie en Frankrijk). Toen Directoirebewind in Frankrijk (1795 - 1799) in conflict kwam met Oostenrijk en met Pruisen, namen vele ballingen dienst in zijn legers en hoopten zo het land ooi te kunnen bevrijden. In die tijd ontstond het huidige Poolse volkslied, met als eerste zin:  "Nog steeds is Polen niet verloren". 

In 1797 werden er daadwerkelijk veldtochten gehouden en ook Napoleon gebruikte deze Poolse troepen. Na de overwinning van Napoleon op Pruisen verloor Pruisen een deel van zijn Poolse gebieden en stichtte Napoleon het Groothertogdom Warschau. Hierna werd er nog een poging gedaan om samen met Frankrijk de Russen te verdrijven maar dit liep op niets uit door de val van Napoleon. Bij het Congres van Wenen in 1815 werd het Koninkrijk Polen gevormd in een personele unie met Rusland. Er kwam een constitutie naar Frans model maar de structuur van de Poolse maatschappij bleef grotendeels hetzelfde, met de macht bij de adel, en boeren die onderworpen bleven aan de adellijke grootgrondbezitters.
Constantijn, de broer van de Russische tsaar kreeg de macht in handen en ook de hoogste ambtelijke functies werden door Russen bekleed. In deze tijd hadden met name de joden het zeer zwaar te verduren. De meeste joden hadden altijd goede posities ingenomen in de Poolse maatschappij, maar dat veranderde na de Zweedse oorlogen en Kozakkenovervallen in de 19e eeuw. Polen kreeg bovendien nog te maken met grote aantallen joodse vluchtelingen uit Rusland. Zij vestigden zich in Oost-Polen maar werden ook daar achtervolgd door de pogroms van de tsaristische politie die hierdoor gedwongen werden om te assimileren in de oorspronkelijke bevolking. In deze tijd werd Krakau een vrije stadsrepubliek en behield Oostenrijk Galicië, een van de armste streken van het toenmalige Oostenrijkse keizerrijk. In 1830 ontsnapte koning Constantijn in Warschau net aan een aanslag op zijn leven.
Wel volgde er meteen een opstand van de Polen die echter met harde hand door de Russen werd onderdrukt en met veel beperkende maatregelen werd gehandhaafd. In datzelfde jaar brak er een opstand uit in het Pruisische deel van Polen. En ook hier werden strenge maatregelen genomen. De verdere Duitse kolonisering van het gebied werd doorgezet en het Duits werd de belangrijkste taal. In 1846 brak er een opstand uit in Krakau, dat werd gebruikt door Oostenrijk om de stadsrepubliek te annexeren.
Naar aanleiding van de Italiaanse eenwording steeg ook de onrust in Polen, en dat leidde tot enkel schuchtere hervormingen, zoals het heropenen van de universiteit van Warschau en de vervanging van wat Russische ambtenaren door Polen. In 1861 volgde er weer een betoging voor de eenwording van Polen en wat later weer een heuse opstand. Deze opstand mislukte doordat de boeren niet meededen en was voor de Russen aanleiding om de touwtjes weer zeer strak aan te trekken.
Over het algemeen kan men zeggen dat zowel Rusland als Pruisen ernaar streefden om alles wat Pools was af te schaffen. Sinds 1871 maakte het Pruisische deel van Polen deel uit van het Duitse Rijk onder leiding van kanselier Bismarck. Bismarck voerde een harde germanisatiepolitiek om daarmee de Poolse adel, de taal en de katholieke kerk uit te schakelen.