1973 Cuba
Vice-koninkrijk Nieuw-Spanje
Cuba werd ontdekt door Columbus op zijn eerste reis in 1492. De oorspronkelijke bevolking die hij aantreft zijn de zelfvoorzienende Taíno's. Het eiland werd pas veroverd in 1511 door Diego Velasquez. In dat jaar werd de eerste Spaanse nederzetting gesticht bij Baracoa.

Cuba werd opnieuw bevolkt door Spanjaarden, Afrikaanse slaven en hun afstammelingen. Hoewel plantagelandbouw al snel tot ontwikkeling werd gebracht, was de belangrijkste functie van Cuba in het Spaans-Amerikaanse imperium de bevoorrading van de Spaanse vloot. Cuba was, met uitzondering van een Engelse bezetting in 1762, steeds een Spaanse kolonie. Dit veranderde niet toen rond 1820 het SpaansAmerikaanse continent zich bevrijdde van het moederland.

Inmiddels ontwikkelde Cuba zich tot de belangrijkste suikerproducent ter wereld. Deze ontwikkeling was mogelijk dankzij de slavenhandel en slavernij.
De verhouding van de Cubaanse elite tot Spanje was ambivalent. Het Spaanse mercantilisme benadeelde de Cubaanse planters, die liever ongehinderd zaken deden met de Verenigde Staten. Er gingen zelfs stemmen op om aansluiting te zoeken bij dit land. Daarentegen waren de planters afhankelijk van Spanje waar het ging om de handhaving van de openbare orde, met name onder de slavenbevolking, die in 1841 43% van de bevolking uitmaakte. De kwestie van de slavernij bleef een twistappel. 

Van 1800 - 1868 blijft Cuba een Spaanse kolonie. De slaven worden op de plantages vervangen door loonarbeiders. De elite op het eiland bestaat uit Spanjaarden en Creolen. Suiker en tabak worden de belangrijkste exportproducten. Dit is tot vandaag de dag nog steeds het geval. De in 1850 ontstane opstand van Cubanen leidde in 1868 tot een onafhankelijkheidsverklaring. De nieuwe republiek werd niet door Spanje erkend. 
De eerste onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje (1868-1878) brak uit in het oosten van het land, waar de plantagesector weinig ontwikkeld en slavernij van ondergeschikt belang was. In deze oorlog speelden ook kleurlingen en vrijgemaakte slaven een grote rol. Spanje wist uiteindelijk de opstand te onderdrukken.

Onafhankelijkheid

In 1886 werd de slavernij afgeschaft. De expansie van de suikerproductie werd echter voortgezet, mede dankzij de immigratie van 125.000 Chinese contractarbeiders. Het verzet tegen Spanje bleef. Onder leiding van de Cubaanse banneling José Mart¡ (1853-1895) werd uiteindelijk een definitieve oorlog gevoerd (1895-1898).

Op 15 februari 1898 explodeerde het Amerikaanse marineschip USS Maine. Niemand weet wie de bom liet ontploffen, maar de VS dacht dat Spanje erachter zat en verklaarde Spanje de oorlog. Spanje verloor de strijd en in 1899 droeg Spanje de kolonie over aan de Verenigde Staten van Amerika. Spanje werd verslagen, maar de Cubaanse opstandelingen moesten de werkelijke overwinning aan de Verenigde Staten gunnen. Deze mogendheid, sinds lang de belangrijkste economische partner, intervenieerde in 1898 in de oorlog en tekende uiteindelijk in plaats van de Cubanen het vredesverdrag met Spanje. Cuba kwam korte tijd onder Amerikaans gezag. 

In 1902 verkreeg het niettemin zijn althans onafhankelijkheid als republiek. Krachtens de grondwet behielden de Verenigde Staten echter enkele rechten. Het belangrijkste daarvan was vervat in het Platt Amendement, dat aan de Verenigde Staten het recht op interventie gaf, alsook enkele marinesteunpunten, waaronder (voor een periode van 100 jaar) de Baai van Guantanamo. Tevens werd in 1903 een handelsverdrag gesloten dat de basis vormde voor een verdere expansie van het Amerikaanse bedrijfsleven in Cuba. De Cubaanse economie maakte een sterke, maar eenzijdige (op suiker gerichte) ontwikkeling door. Tot 1959 zou Cuba politiek en economisch zeer sterk van de Verenigde Staten afhankelijk zijn.

Laatst bijgewerkt: 29-10-08

colofon