3812 |
Voedsel aan boord |
Het voedsel werd er op een lange reis niet beter op. Na enige tijd zaten er torretjes in de erwten of in de scheepsbeschuit en stonken het pekelvlees en de zoute vis een uur in de wind. Toch werd alles opgegeten, want er was immers niets anders. Nog erger was het met het drinkwater gesteld. dat werd diep in het schip in grote vaten meegenomen. Het bleef niet lang goed. Op den duur was het groen van de algen en dreven er allerlei beestjes in. Maar wie dorst had, moest het toch drinken. Het eenzijdige voedsel en vooral het gebrek aan fruit en verse groente, leidde tot een gevaarlijke ziekte, de scheurbuik. Het gebeurde wel dat onderweg de helft van de bemanning aan deze ziekte stierf. De elite op het achterschip genoot bij het middagmaal van een rijke variatie aan vers vlees van slachtvee, dat speciaal voor de officieren en passagiers aan boord was meegenomen. op tafel stonden ook allerlei verse groenten zoals asperges, spinazie of schorseneren, die in kisten met tuinaarde aan dek werden geteeld. De kok serveerde gesmoorde lamsbout, gebraden schaapskop of ragout van varkenspootjes. Na de siësta was het rond vier uur tijd voor een feestelijke middagthee met confituren, noten en amandelgebak. Het diner leek sterk op de lunch, maar was nog aangevuld met poffertjes, pannenkoeken of rijst met krenten. laatst bijgewerkt: 01-08-02 |