8124 |
Piet Heyn (1577 - 1629) |
![]()
|
Tekst gedeeltelijk ontleend aan "17e-eeuwse admiralen en hun zeeslagen" door Drs. T. van Gent. Piet Heyn dankt zijn grote faam als een van Nederlands bekendste admiralen aan slechts een enkel wapenfeit, de verovering van de Zilvervloot op 9 september 1628. Toch bestaat zijn carrière uit vele andere gebeurtenissen, die hem bestempelden als een zeer bekwaam zeeman Zijn belang voor ons land is eigenlijk het meest gevestigd in de laatste drie maanden van zijn leven, toen hij een vernieuwing en professionalisering van de oorlogsvloot in gang zette, die door zijn opvolgers zou worden voortgezet en die de grondslag vormde voor de hegemonie die wij met onze vloot in de 17e-eeuw over de wereldzeeën vestigden, en waar Nederland uiteindelijk misschien zelfs wel zijn soevereiniteit aan dankt. |
Pieter Pieterszoon Heyn werd op 25 november 1577 in Delftshaven geboren als de zoon van een commandant van een klein oorlogsschip, dat konvooidiensten voor haringvissers verrichtte en later koopvaarder werd. Delfshaven was in die tijd de haven van Delft en werd pas in 1886 door Rotterdam geannexeerd. De jonge Piet Heyn groeide op in een milieu van haringvissers en koopvaardijschippers in een periode dat de actieradius van de Nederlandse handel zich razendsnel uitbreidde. Niet langer voer men alleen op naar de Oostzee, Engeland , Frankrijk en Spanje, men zeilde nu ook op de Middellandse Zee en naar West-Afrika, Azië, Midden-, Zuid- en Noord-Amerika. Omdat Nederland nog altijd in oorlog was met Spanje, gingen de commerciële vaart en de oorlogsvaart samen. Piet Heyn heeft zijn eerste ervaring waarschijnlijk opgedaan op schepen van zijn vader, zoals tienduizenden jongens in de Nederlandse havensteden het zeemansvak leerden. Hij begon zijn carrière op zijn vijftiende als zwabber op de haringbuis van zijn vader en werkte zich langzaam op. Tijdens een van de reizen werd hij gevangen door kapers en uitgeleverd aan de Spaanse overheid (1598). Heyn moest daarna vijf jaar jaar als galeislaaf roeien op de galeien. |
![]() |
In 1602 werd hij geruild tegen Spaanse gevangenen, maar korte tijd na zijn bevrijding door een gevangenenruil (1602) werd hij echter weer gevangen genomen door de Spanjaarden. Na zijn vrijlating voer hij naar West-Indië en zat ook daar vier jaar gevangen. In 1607 kwam hij opnieuw vrij en kon hij naar Delfshaven terugkeren. Hij monsterde meteen dat jaar aan als stuurman op een schip van de zojuist opgerichte Verenigde Oost-Indische Compagnie naar Oost-Indië en raakte op zijn viereneenhalf jaar durende expeditiereis bekend met grote delen van Azië. Het hoge sterftecijfer tijdens die tochten maakte dat hij als schipper van de Hollandia terug kwam. Intussen was het Twaalfjarig Bestand (1609 - 1621) ingegaan en viel er weinig meer te vechten. |
De volgende jaren voer hij weer als schipper op de koopvaardijschepen op de Middellandse Zee. Hij verdiende behoorlijk en trouwde en kon in 1622, 45 jaar oud, als vermogend man de zee vaarwel zeggen en op de wal gaan rentenieren in een mooi pand aan de Leuvehaven en werd benoemd tot schepen.
Maar de zee riep en toen de Staten een beroep deed op ervaren schippers om de oorlogsvloot te bemannen en het land tegen de Spanjaarden te beschermen, trad Heyn in 1623 in dienst van de West Indische Compagnie. Zijn aanzien was inmiddels zo gestegen dat hij werd benoemd tot vice-admiraal en later tot admiraal op vloten naar Brazilië, Angola en Caraïben. Hij bracht de Portugezen zware klappen toe en onderscheidde zich al snel als een bekwaam en moedig zeeman. Nuchter, vindingrijk, onverschrokken in de strijd en bekwaam in de handel waren zijn voornaamste karaktereigenschappen. Ook uit zijn brieven rijst dit beeld op. Piet Heyn had echter ook een humane kant.Volgens dominee Spranckhuysen zou hij zich mededogend over de inwoners van Afrika hebben uitgelaten en ook hebben ingezien dat hun vijandigheid door de Europeanen zelf werd opgewekt. "De vrientschap moet van onse zijde beginnen", schreef Heyn, "want wij soecken haer, ende niet sij ons." De W.I.C. was in tegenstelling tot de V.O.C. niet in de eerste plaats een handelshuis, maar veeleer een op militaire leest geschoeide organisatie voor gelegaliseerde kaapvaart met Kapersbrieven die door de Staten of de Prins van Oranje waren uitgeschreven. Een in die tijd alom internationaal aanvaardde vorm van militaire tegenwoordigheid. Deze kaapvaart op West-Indië was uiterst lucratief. Spanje en Portugal hadden uitgestrekte bezittingen in suiker- en tabaksplantages en goud en zilvermijnen. Het handelsverkeer van die landen met Europa was een dankbare prooi. De Engelsen stuurden ieder jaar een vloot naar het Caribische gebied om de jaarlijkse Zilvervloot te overmeesteren, doch slaagden daar nimmer in. De eerste tocht naar de West was al vrij succesvol. Men veroverde San Salvador, maar slaagde er niet in een groot slavendepot in te nemen. In 1625 keerde de vloot terug. Nog datzelfde jaar voer Heyn weer uit, ditmaal als admiraal over een kleine, vrij zwakke vloot van slechts 14 schepen. In een gevecht in 1627 verloor hij twee van zijn eigen schepen, maar kon bij thuiskomst in Nederland melden dat hij in totaal 38 schepen op de vijand had buitgemaakt. De Heren XIX van de W.I.C. beloonden hem o.a. met het commando over een vloot van 31 schepen, en 4000 man, die met de buit van zijn eerste expeditie gefinancierd was. In 1627 werd Piet Heyn als admiraal van eeen WIC-vloot van 31 schepen naar Zuid-Amerika gezonden. Tot zijn opdrachten behoorde het om te proberen een van de Spaanse zilvervloten te overmeesteren. In september 1628 kwam een deel daarvan in de Straat van Florida in zicht en werd buitgemaakt. Een ander deel vluchtte de baao van Matanzas in, aan de noordkust van Cuba. Piet Heyn, nooit een talmer, viel aan en veroverde de vloot met weinig bloedvergieten. De buit was ongekend. Zilver vormde het grootste deel van de lading, maar er waren ook andere kostbaarheden aan boord, zoals zijde, indigo, specerijen, parels en bovendien nog veel exotische kunstvoorwerpen, zoals kistjes van schildpad en schilderijen van veren. De waarde van al dat moois was astronomisch: ruim 11 miljoen gulden, een waarde die nu vertien- of vertwintigvoudigd mag worden. De opwinding was groot. Piet Heyn was in één klap vaderlandse held nummer één geworden. De grote steden vierden feest, zelf hield hij een triomftocht langs Den Haag, Leiden, Haarlem en Amsterdam. er kwamen portretten, nieuwsprenten en gedenkpenningen en de dichtader vloeide rijkelijlk. Stadhouder Frederik Hendrik kreeg een ruim aandeel in de buit - waarmee hij weer paleizen kon bouwen en tuinen aanleggen - en de bewindhebbers van de WIC en vooral de aandeelhouders kregen behoorlijk uitbetaald. De rest van de buit vloeide in de staatskas. Ook de matrozen werden beloond, al bleven ze nog jaren morren. Piet Heyn zelf kreeg als dank 6000 gulden - niet veel op 11 miljoen een gouden keten, een drinkhoorn en een medaille. Heyn gold nu als de bekwaamste vlootvoogd van het land. De WIC wilde hem natuurlijk houden, maar Heyn stelde dermate hoge eisen dat het niet tot een benoeming kwam. In plaats daravan trad hij in dienst van de admiraliteit, waar hij een aantal voorstellen tot hervorming heeft gedaan. Frederik Hendrik benoemde hem tot luitenant-admiraal van Holland en in 1629 werd hij uitgezonden om de Duinkerker kapers de les te lezen. Het kwam tot een gevecht in Het Kanaal, waarbij Piet Heyn zich tussen twee vijandelijke schepen manoeuvreerde en staande op het dek zijn schip De Groene Draak dodelijk werd getroffen door een kanonskogel. Zijn schip werd tot zinken gebracht. Uit het wrak van Heyns gezonken schip zijn voorwerpen als een steelpan en een stamper opgedoken die nu zijn tentoongesteld in het museum De Dubbele Palmboom (onderdeel van het Historisch Museum Rotterdam), vlakbij Heyns geboortehuis en standbeeld.De kapers werden weggevaagd, maar het verlies van de admiraal was een schok. De Staten Generaal gaven hem een staatsbegrafenis, een eer die nog maar één keer een zeeman ten deel gevallen was, Jacob van Heemskerk. Na zijn begrafenis zou een praalgraf worden opgericht, maar zijn vrouw, Anneke Claesdochter, moest nog jaren verzoekschriften schrijven om de door de admiraliteit beloofde gelden binnen te krijgen. De Staten Generaal betaalden pas na jaren aandringen de begrafeniskosten. En van dat praalgraf kwam maar niets. Anneke Claesdochter schreef pinnige brieven en dreigde desnoods op eigen kosten een praalgraf te bestellen. Pas negen jaar na de dood van haar man en naa veel geldelijk gezeur kwam de tombe gereed. Het werd het eerste grote marmeren praalgraf in Nederland, waar een zeeheld liggend in volle wapenrusting is uitgebeeld. De Delftse dominee Dionysius Spranckhuysen tekende omstreeks 1630 op dat kinderen een liedje zongen "van generaal Pietrs Heyn" en dat "schoon sijnen naem is kleyn, dat nochtans sijne daden waren uytermaten groot gelijck bleeck uyt het veroveren van de Silveren vloot." In de negentiende eeuw herschreef Jan Pieter Heye het liedje en componeerde J.J. Viotta er een nieuwe melodie bij. En zo bleef het leven van de zeeheld Piet Heyn gecomprimeerd in enkele regels in het collectieve geheugen bewaard. gemaakt: 08-10-03; gewijzigd 16-10-03 |