4824 Nan Chao-rijk (650 - 1253)

In de 7e eeuw (Thaise geschiedschrijving 679) migreerden de T'ai in het noordwesten van Tonkin verder naar het noordwesten. Dit bracht hun in de regio die nu Yunnan in China heet. Daar stichten zij de nieuwe Thaise staat Nan Chao (Tsjao). Sommige archeologen en historici menen dat de T'ai stammen en minder belangrijke rol hebben gespeeld bij de sticting van het Nan Chao rijk. Volgens hen werd deze staat gesticht door stammen uit Tibet en Birma.

Nan Chao breide zijn macht uit en controleerde belangrijke handelsroutes, waaronder de zuidelijke zijderoute. Cultureel gezien was deze staat een voorloper van de latere staten in Laos (Sibsong Chutai, Muang Sawa), Thailand (Yonok) en Myanmar (Shan). Nan Chao was verantwoordelijk voor de verspreiding van het boeddhisme en het principe van de Maharaja (koning). Bestuurlijk was Nan Chao onderverdeeld in 10 prefecturen met de naam Kien. Verder organiseerden de koningen de bevolking en het leger in eenheden van 100, 1.000 en 10.000. Ook de titel Chao (prins) komt van oorsprong uit Nan Chao.

Pi Lo Ko (Pilaoko) (729 - 750)

Een van de koningen van Nan Chao, Pi Lo Ko (Pilaoko) (Aangenomen wordt dat dit Khun Borom is, hij regeerde ongeveer van 729 - 746), veroverde onder andere de gebieden rond Sibsong Chutai. Hij stuurde zijn zoon Khun Lo om muang (Kolofeng Sawa te besturen (voorloper van Lan Xang en de andere zoon van Khun Borom, khun Chaiyapongse, kwam naar Noord Thailand en vestigde daar het koninkrijk van Yonok (Chiang Saen) in 773, met de hoofdstad bij Yonoka Nakorn (Chiang Saen). Dit was de voorloper van Lanna Thai en het eerste Thai koninkrijk in het gebied dat nu bekend staat als Thailand.

Rechts: Jade Fountain Park in Yunnan

In 735 werd zijn land verenigd met China en in 738 werd Pilaoko door China erkend als prins van Yunnan.

Nadat in 741 Tsenpo Dusong Mangje van Tibet met een groot leger China was binnengevallen, nam Pilaoko een aantal Tibetaanse steden in (745). In 750 overleed hij en volgde zijn zoon Kolofeng hem op.

Khun Lo om muang (Kolofeng) (750 -779)

Kolofeng maakte Talifu (nu Yunnan) tot de hoofdstad van zijn koninkrijk.Bij een bezoek aan China voelde hij zich zwaar beledigd door de gouverneur van Hunan en deze provocatie bracht hem ertoe China binnen te vallen en 32 steden en dorpen in te nemen. In hetzelfde jaar sloot hij een alliantie met de koning van Tibet. Tussen 752 en 754 trok China met vier legers Nan Chao binnen maar slaagde er niet in het vazalrijk te onderwerpen. Rond 764 is de administratie van Nan Chao goed georganiseerd en volledig gevestigd. Nanchao is een machtige staat geworden in Zuidoost-Azië. In 779 stierf Kolofeng. Zijn kleinzoon Imoshun volgde hem op.

Lijang, oude stad in Yunnan

Imoshun (779 - 808)

In 794 deed Imoshun weer inval in het Chinese rijk en nam 16 steden in. Op advies van zijn Chinese raadgever Cheing Chui, schreef hij een brief aan keizer Tai Tsong waarin hij gewag maakte van de "onvrijwillige" alliantie van zijn land met Tibet en het misbruik dat de Tibetanen hebben gemaakt van de Thais. Nan Chao en China werden weer bondgenoten en de keizer erkende Imoshun als koning van Nan Chao. In 808 overleed Imoshun.

? (808 - 859)

In 829 wisselde Imoshuns opvolger opnieuw van bondgenoot; viel China binnen en veroverde de provincies Suichu, Yongchu and Kongchu. Bij zijn terugtocht maakte hij vele gevangenen, die bekwaam waren in kunsten, literatuur en weven, en die veel hebben bijgedragen aan de culturel opbloei van Nan Chao.

Volgens Chinese geschiedschrijvers was het Nan Chao van het midden van de 9e eeuw een goed georganiseerde semi-militaristische staat. De staat heerste over veel etnische groepen. De koning was heerser, en had een hof onderverdeeld in "ministeries", die verantwoordelijk waren voor onder andere:

  • Oorlog
  • Bevolking en belasting
  • Ontvangst van buitenlandse gasten
  • Publieke werken

De legers veroverden gebieden zo ver weg als Noord Thailand en Noord Myanmar en zouden zelfs een expeditie tegen Chenla ondernomen hebben. In het Noorden streek de macht zich uit tot de grens met Tibet en de Chinese provincie Sichuan. De Tibetanen zagen in Nan Chao een bondgenoot tegen het machtige keizerlijke China. De Chinese Tangdynastie (618 - 907) moest na enkele pijnlijke nederlagen in 728 de macht van Nan Chao erkennen.

Om de twisten tussen China en Nan Chao te beëindigen, die de Chinese keizer veel geld kostten, liet de Chinese keizer de koning van Nan Chao met een van zijn dochters trouwen.

Doordat de Han-Chinezen steeds verder naar het zuiden oprukten, trokken al in de 11-de eeuw volken en stammen die behoorden tot de T'ai weg uit hun woongebied naar de bovenloop van de Mekong en de Menam (het huidige Laos). Zij gingen geheel op in de Mon en de Khmer.

Tsuiling (859 - 860)

Nadat Tsuiling de troon van Nan Chao had bestegen nam hij de tiel keizer aan, wat een zware belediging was voor de Chinese keizer Suen Tong. Door de vijandelijke verhouding tussen Nan Chao en China viel Tsuiling China binnen en belegerde hij de stad Chengdu, de hoofdstad van Sichuan. De legers van Nanchao rukten ook op in zuidoostelijke richting en probeerden Tongking (Noord-Vietnam) binnen te vallen.

Nadat keizer Ytsong in 860 de troon had bestegen in China werd Nanchao volledig onafhankelijk van China.

In 863 veroverde Nan Chao delen van Annam (huidige Vietnam), maar in 866 werd dit gebied weer door China heroverd.

In 870 viel Tsuiling opnieuw China binnen en belegerde weer de stad Chengdu. Hij slaagde er echter niet in de stad in te nemen.

In 875 volgde weer een onsuccesvolle poging.

Taiking (877 - 902)

Taiking (Fa) sloot vrede met China

In 902 kwam er een eind aan de Sinulo dynastie in Nan Chao. Daarna volgde een lange periode waarover weinig werd geschreven in de Chinese annalen. Aangenomen wordt dat in de hierna volgende periode van 350 jaar Nan Chao en China vreedzmere betrekkingen onderhield dan de 250 jaar daarvoor.

In 1253 werd Nan Chao veroverd door de Mongoolse keizer Koeblai Khan. Hij zette daarmee de aanzet tot een nieuwe volksverhuizing in Zuid-Oost-Azië. Veel etnische T'ai vluchtten naar het zuiden en vestigden zich in Lanna Thai en in het T'ai-rijk Sukhothai (Siam). De gebieden die al door eerdere golven van T'aise migranten overspoeld waren. Andere T'ai weken uit naar Hai Nan, Vietnam en Assam. De Shan (Chan) vestigden zich in Myanmar en in de omgeving van van Lamphun, in het noorden van het Monrijk Dvaravati.  Enkele Laostammen trokken langs de Mekong en verdreven de Khmer naar het zuiden of vermengden zich met hen. De T'ai volkeren uit Nan Chao namen een feodaal stelsel mee dat bij de Shan in Myanmar en de Muong in het noorden van Vietnam nog lang in stand is gebleven. ook het gebruik van ijzeren ploegen, de kennis van de natte rijstbouw op bewaterde terrassen en ambachtelijke vaardigheden, zoals het maken van celadonaardewerk, dateren vermoedelijk uit deze tijd. Waarschijnlijk kwamen ze door hun contacten met de Monvolkeren tot het Boeddhisme.  

Lanna; Sukhothai

Gemaakt: 23-02-06; laatst bijgewerkt: 20-10-07

colofon