6471 |
Handel en jaarmarkten |
De producten die op de Europese jaarmarkten verschenen, kwamen op een steeds hoger peil: koperen potten, leren zadels, zwaarden, wapenrustingen, messen, scharen, aambeelden, slijpstenen, houten tonnen, karren en wielen, kleding en schoeisel. De grote jaarmarkten in het noorden van Frankrijk duurden enkele weken en trokken handelaars uit Schotland, Engeland, Duitsland, Spanje, Italië, Constantinopel, Syrië, Armenië en Egypte. Zij konden er kopen of verkopen. Op de jaarmarkten waren vele soorten geld in omloop: Arabisch geld, munten Byzantium (Constantinopel), Florence ("Florijnen"), Milaan ("Lires"), Venetië ("Dukaten"), Spanje ("Realen"), Parijs en Tours ("Livres"), Duitsland ("Marken")] Deze producten kwamen vooral uit de rijkere gebieden als Vlaanderen, het Rijnland en Engeland.
Op de jaarmarkten deden de kooplieden goede zaken, maar toch hadden die jaarmarkten ook enkele grote nadelen. Een jaarmarkt was altijd aan het seizoen gebonden. Het reizen was vol gevaren. Het liefst wilden de kooplieden zich ergens permanent vestigen, op een plaats die gunstig gelegen was: op een knooppunt van wegen, aan water of dicht in de buurt van een burcht of klooster, waar zij eventueel een schuilplaats konden vinden in tijden van oorlog. Binnen afzienbare tijd vestigden zich in de koopliedennederzetting ook gevluchte horigen, rondtrekkende oogstarbeiders, beroepssoldaten, jongere zoons van edelen die geen recht op een erfdeel hadden, smeden, timmerlieden, leerbewerkers, bakkers, slagers en kroegbazen. |
![]() |
![]() |
Met de groei van de handel werd in de 13-de eeuw het reizen wat veiliger. De reizende handelaren gingen zich steeds meer vestigen in de veilige steden. De kooplieden in de steden gingen een belangrijke macht vormen in het land. De burgerijen in de steden lieten niet alleen bruggen bouwen maar legden ook wegen aan. De vorsten steunden hen daarbij, want ook zij begonnen in te zien dat het handelsverkeer geld in de schatkist bracht.
links: Hanzesteden langs de IJssel |
In de loop van de 14e eeuw gingen de Hollanders steeds meer handel drijven in eigen producten. De Hollandse boeren waren geen horigen meer. Zij konden op hun akkers producten verbouwen waarvoor hun grond het meest geschikt was. Dat waren producten, waar veel vraag naar was en waar de boeren een goede prijs voor konden krijgen. Daar waren gewilde handelswaren bij, zoals vlas, haver en hennep. Belangrijker nog waren de zuivelproducten, zoals boter en kaas. Ook zout werd verhandeld. Op de markten werden ook buitenlandse producten verhandeld, bijv. graan uit de Oostzee landen. belangrijk was ook de handel in wijn, die per schip over de Rijn werd aangevoerd. Langs deze rivier kwam ook veel timmerhout en hout voor de bouw naar onze streken. De marktDe marktfunctie ligt aan de oorsprong van de stad, waardoor in iedere stad een markt is te vinden. Daar worden producten uit de omgeving geruild tegen goederen die van heinde en verre door rondreizende handelaren worden aangeboden. Zij voeren hun goederen per schip of hessenwagen aan. De marktfunctie brengt allerlei nieuwe zaken naar de nederzetting. Een herberg, om de kooplui onderdak te bieden, een pakhuis om hun goederen op veilige wijze op te slaan, zodat ze niet gestolen kunnen worden, een waag om van maat en gewicht zeker te zijn, een dinghuis om geschillen te beslechten. |
![]() |
Dagelijkse en wekelijkse marktOver het algemeen kan het economisch verkeer worden afgehandeld op drie soorten markten. De eenvoudigste zijn de dagelijkse markten voor de dagelijkse behoeften aan vlees, vis, zout en koren. De stapelmarktDe tweede soort markt, de stapelmarkt, komt in De Graafschap niet voor. Op dit soort markten worden de producenten binnen een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dagreis, verplicht hun waren op die markt aan te bieden. Langs de IJssel heeft een dergelijke regeling weinig zin, omdat twee rechtsgebieden vlak bij elkaar liggen. Eenvoudig gezegd verpesten Deventer en Zutphen het voor elkaar. De kooplui kunnen uitwijken naar de buren over wie de ander niets heeft te vertellen. Bovendien zijn er voor zo'n markt geen of te weinig eigen producten die de basis van zo'n markt vormen. Brugge heeft bijvoorbeeld laken en Keulen wijnen. |
![]() |
De jaarmarktenTijdens deze markten werden de plaatselijke wetten worden buiten werking gesteld zolang de jaarmarkt duurde. Handelaren uit staten waarmee de streek in oorlog was, kregen een vrijgeleide. De eerste van de jaarmarkten werd in het najaar gehouden: de Koldemarkt. De oogst was binnen, de pacht en de tijnzen moesten worden betaald en de wintervoorraden werden ingeslagen. De boeren verkochten het vee waarvoor in de stal geen plaats was. De varkens werden geslacht en verkocht. Het was nu tijd voor een uitstapje. Nog steeds worden kermissen en dergelijke feesten op het platteland bij voorkeur in het najaar gevierd. Overtredingen van de plaatselijke keuren of verordeningen werden tijdens de jaarmarkt minder streng gestraft. Bij dobbelen, wedden en drinken werd niet zo nauw gekeken als anders. Ook wonderdokters, goochelaars en feestvierders kwamen op deze markten af, maar dat waren feitelijk slechts randverschijnselen. Hoewel het ging om de handel was de jaarmarkt voor het publiek een welkome afwisseling in het harde bestaan. Er waren verschillende jaarmarkten in het jaar, bijvoorbeeld de Johannesmarkt (rond 24 juni), Sint-Jacobsmarkt (rond 25 juli) en Sint-Maarten (11 november). Deze markten duurden elk ongeveer twee weken. laatst bijgewerkt: 05-11-03 |