2461

Graafschap Gelre (1100 - 1200)

Lage Landen (1000 - 1100)

In de elfde eeuw ontstaat rond het stadje Gelre het Graafschap Gelre. De eerste graaf van Gelre was Gerhard l, die het bezit Wassenberg na het overlijden van zijn beide ooms (Hendrik en Theodericus) had ca. 1085 geërfd van zijn al in 1058 overleden vader Gerardus lll.

Gerhard l (1085 – 1129)

Gerhard I staat goed aangeschreven bij keizer Hendrik lV, want in 1086 noemt hij zich graaf van Wassenberg. Wassenberg is al enige generaties allodiaal bezit (vrij, eigen goed) van de familie, maar zal nooit een graafschap worden. Dat Gerhard I zich graaf van Wassenberg noemt, betekent alleen dat hij zich naar zijn burcht noemt en de functie graaf heeft. Het is dan mode om zich naar een stamslot te gaan noemen.  Bij Wassenberg behoort tevens de voogdij van het stadje Gelder. Hier ligt een burcht met dezelfde naam, of Gerhard I laat die op dat moment bouwen, omdat hun oorspronkelijke stamslot mogelijk verdwenen is.

In 1087 wordt Gerhard I door de rijksgroten in Aken veroordeeld voor het herhaaldelijk ontvreemden van de inkomsten van de kerk te Echt. Deze kerk is het eigendom van het Sint-Servaaskapittel in Maastricht.
In 1108 wordt Gerhard beschuldigd van het verduisteren van novale tienden van de kerk te Aalburg, die eigendom zijn van de klooster Sint-Truiden. De bisschop van Utrecht speelt hierbij een dubieuze rol. Aalburg ligt in de Teisterbant en Gerhard I zal deze in leen hebben gehouden via de bisschop van Utrecht of rechtstreeks van de keizer. In 1108 voert Gerhard I ook de voogdij over gebieden in de Veluwe en misschien heeft hij hier ook grafelijke rechten.

In 1096 getuigt Gerhard I met zijn broer Hendrik van Kriekenbeek bij de overdracht van goederen door Ida van Boulogne aan het klooster te Affligem. In hetzelfde jaar zijn beide broers aanwezig bij de schenking van goederen aan de abdij te Nijvel. In dat jaar wordt hij voor het eerst landgraaf van Gelder genoemd.

In 1118 sticht Gerhard I op zijn Wassenbergse grondgebied een kerk. Bij deze stichting schenkt hij samen met zijn broer Hendrik enkele goederen in Bree aan de abdij Sint-Hubert. Uit deze lijst van goederen blijkt hoeveel de broers in eigen bezit hebben: de kerk te Havert, de helft van de Sint-Lambertuskerk te Birgelen, de helft van de Sin-Maartenskerk van Orsbeck, de Sint-Johanneskerk te Wildenrath, goederen te Grantherath, een deel Lövenich en een stuk land te Erkelenz. Naast al deze titels verwerft Gerhard I het ambt van landvoogd over Teisterbant in de Betuwe. Deze noord-zuid verspreide bezittingen zouden later de grondslag vormen voor het vreemd gevormde hertogdom Gelre. Niet alles in de Teisterbant is nu in beheer van Gerhard I. De stad Tiel is bijvoorbeeld van Kleef. Nijmegen valt als vrije rijksstad direct onder de keizer en heeft een eigen regering.

Gerhard I is getrouwd met Sophia, een vrouw van onbekende afkomst, bij wie hij een dochter, Jolante geheten, krijgt. Jolante trouwt in of voor 1107 met graaf Boudewijn III van Henegouwen (1087/8-1120) en daarna met Godfried van Bouchain. Zij krijgt het allodium Dodewaard mee.
Na 1086 hertrouwt Gerhard I met Clementia van Poitou, bijgenaamd van Gleiberg. Zij is een dochter van Willem IX, hertog van Aquitanië en Ermensinde van Longwy. Clementia is de weduwe van Koenraad I van Luxemburg (overleden 1086). In 1129 zal zij het klooster Schiffenberg stichten. Bij haar verwekt hij de zo gewenste zoon, Gerhard (II), en nog een dochter, Judith (Jutta).
In 1107 geeft Gerhard I als bruidsschat het allodium Wassenberg aan Judith mee, wanneer zij met hertog Walram II van Limburg (1085-1139) trouwt. Hierdoor verliest hij de titel graaf van Wassenberg en blijft alleen de titel graaf van Gelder in de familie.

In 1114 heeft Gelder te lijden van een opstand van de Keulse aartsbisschop tegen de keizer. De opstandelingen trekken door Gelders gebied. Onder de bondgenoten van de Keulse aartsbisschop bevindt zich graaf Hendrik de Oude van Zutphen. Tussen 1115 en 1117 is de vrede getekend, want dan trouwt Gerhard I's zoon Gerhard II met de zus van Hendrik de Oude, Ermgard. In 1120 geeft hij het bewind van zijn graafschap over aan zijn zoon Gerhard II. Voor 8 maart 1129 is Gerhard I overleden.

Gerhard ll (1129-1131)

De opvolger van Gerhard I is Gerhard II. Hij wordt geboren tussen 1090 en 1095. Onduidelijk is of hij daadwerkelijk het ambt van graaf uitoefent, omdat zijn vader nog leeft en Gerhard II relatief jong is. Door de ouderdom van zijn vader is dat wel aannemelijk.
Gerahrd II komt geregeld samen met zijn vader in oorkondes voor, waarin hij ter onderscheid van zijn vader "de Lange" (betekent ook de jonge) wordt genoemd.
Voor de familie is nu alleen nog de titel graaf van Gelder gereserveerd, daar Wassenberg als bruidsschat aan Gerhard II's zuster Judith is meegegeven.

Als weduwnaar van een eerder huwelijk is hij op zoek naar uitbreiding van eer en erf. Hij vindt een goede partij in gravin Ermgard van Zutphen. Zij trouwen tussen 1115 en 1117 en krijgen een zoon Hendrik (II) en een dochter Adelheid. Adelheid (overleden na 1150) trouwt met graaf Ekbert van Tecklenburg (overleden na 1 december 1150). Ekbert is een zoon van graaf Hendrik van Saarbrücken en Gisela van Lotharingen.Tussen 1128 en 1131 schenkt Gerhard II met uitdrukkelijke toestemming van zijn vrouw Ermgard en hun zoon Hendrik (II) de kapel van Ellecom aan de Sint-Walburguskerk te Zutphen. Dit goed zal uit de Hamalandse erfenis van Zutphen zijn gekomen.

Hendrik ll (1131-)

Hendrik (II) is de oudste zoon van gravin Ermgard van Zutphen en graaf Gerhard II van Gelder en hij mag zich in 1131 als eerste tooien met de titel graaf van Gelre en graaf van Zutphen. Al schijnt hij die tweede titel pas later te krijgen. Niettemin zullen alle Gelderse vorsten zich vanaf nu zo noemen. Ook als Gelre een hertogdom wordt, blijven ze zich graaf van Zutphen noemen.
Het bezit van Zutphen verschaft namelijk veel aanzien, want Zutphen is een vrij goed, terwijl Gelre slechts een leen van de keizer is. De keizer kan Gelre weer opeisen als niet aan de leenplichten wordt voldaan, maar van Zutphen moet hij afblijven.
In Zutphen laat Hendrik zijn eigen munten slaan. Deze munten zouden te veel lijken op de munten uit Deventer, hetgeen ze daar niet kunnen waarderen. Dit is de eerste vastgelegde animositeit tussen de buren.
In 1137 trouwt Hendrik (II) met Agnes van Arnstein. Zij is de dochter van graaf Lodewijk van Arnstein en Udihildis. Het paar krijgt 5 of 6 kinderen, geheten Gerhard III, Otto I, Agnes, Adelheid, Margareta en, vermoedelijk, Alberich.
Agnes trouwt in 1168 met graaf Heinrich van Namen en Luxemburg (1113-1196). Zij wordt om nog onbekende reden in 1172 verstoten. 

Adelheid slaat voor 1179 graaf Gerhard II van Looz en Reineck (1140-1196) aan de haak. Margareta wordt uitgehuwelijkt aan graaf Engelbert van Berg (1157-1189). Zij wordt de moeder van de heilig verklaarde aartsbisschop Sint-Engelbert I van Keulen (1216-1225). Van de derde zoon Alberich (1136-1150) is niet zeker bekend of hij een zoon van Hendrik (II) en Agnes is. Hij kan ook uit het huis Namen stammen. Alberich maakt carrière als bisschop van Luik.

In 1138 getuigt Hendrik (II) voor keizer Konrad III als deze de Oostergo en Westergo aan de kerk van Utrecht teruggeeft. In hetzelfde jaar getuigt Hendrik (II) voor Konrad III als deze opnieuw schenkingen verricht aan het klooster Bedbur.
Ook al verschijnt Hendrik (II) geregeld aan het keizerlijke hof, het graafschap Zutphen is toch in het begin onbeduidend van grootte en invloed. Het omvat een klein deel van de huidige Graafschap: het 's-Gravenhof, het dorp Zutphen met omliggende vruchtbare landen en weilanden, het hof te Lochem met het dorp zelf en zijn omgeving, het hof te Steenderen (in leen van Utrecht), het hof te Baak en enkele bezittingen op de Veluwe. De Graafschap zou steeds groeien en Hendrik (II) is de eerste in een lange rij die daarvoor zorgt.

De tweede helft van de twaalfde eeuw wordt gekenmerkt door vermindering van de centrale macht van de keizer en de dalende invloed van de bisschoppen op de wereldlijke heren binnen het bisdom. De graven krijgen in de loop der tijden steeds meer invloed in het bisschoppelijke gebied en weten zo hun territorium ten koste van het Sticht te vergroten.
Het bisdom Utrecht staat aan het eind van de twaalfde eeuw onder invloed van de graven van Holland, die de voornaamste tegenstrevers van het jonge Gelre zijn. De graven van Holland weten met enige regelmaat een eigen kandidaat op de bisschoppelijke troon te krijgen. Zo is bijvoorbeeld bisschop Boudewijn II (1178-1196) een jongere broer van graaf Floris III van Holland en een van de felste tegenstanders van Gelre.
Hendrik (II) werkt met succes aan goede contacten met het aartsbisdom in Keulen, om niet door het samenwerkende Utrecht en Holland te worden opgeslokt. Ook heeft hij goede contacten met de proosten van Emmerik, Deventer en Xanten, die allemaal binnen de invloedssfeer van Gelre liggen. Zo weet hij zijn jongste zoon Otto I tot proost en aartsdiaken van het Sticht Xanten te laten benoemen. Ook het kapittel van Deventer wordt met succes bewerkt. In 1176 wordt daar Arnold van Isenburg (1176-1196), een bekende van Hendrik (II), als proost van Deventer benoemd. Zo blijft de balans met Utrecht-Holland in evenwicht.
Met enige regelmaat wordt Hendrik (II) ingeschakeld bij het uitbreiden van de Keulse macht in Westfalen. En als de Keulse bisschoppen strijd moeten leveren tegen de Saksische hertog Hendrik de Leeuw is hij diverse malen in het Keulse leger te vinden.
Hendrik (II) komt in bezit van de Veluwe, maar dan als achterleenman van de hertog van Brabant. Deze moet op zijn beurt leenhulde brengen aan de bisschop van Utrecht, maar daarvoor is hij te trots zodat hij dat maar achterwege laat. Hendrik (II) stelt zijn zoon Gerhard III aan als graaf van de Veluwe.

De legitieme overerfbaarheid van zijn ambt als graaf maakt van Hendrik (II) een onafhankelijke vorst. Hij heeft nu de macht om kleinere heren te dwingen aan hem leenhulde te bewijzen.
In overeenstemming met zijn machtstoename groeit ook de staat van de huishouding die hij voert, inmiddels een heuse hofhouding. Hierdoor is het gewenst dat hij zich geregeld verplaatst, want voedselvoorziening het hele jaar rond is een probleem. Bovendien moet hij elders zijn neus laten zien om zijn macht te tonen en recht te spreken. Het verspreide bezit noopt hem tevens hiertoe. Op veel kasteelheren rust dan ook de verplichting om voor de graaf en zijn talrijke gevolg "open hof" te houden, hetgeen een grote last is.
Vanaf nu zullen de Gelderse vorsten geen vaste residentie meer hebben. Wel heeft Hendrik (II) zijn eigen hoven, te Gelder, te Zutphen, te Rozendaal, te Hattem en andere plaatsen. Gezien de toestand der wegen toentertijd zal het geen plezier zijn geweest om continu op reis te zijn.

Hendrik (II) geniet veel aanzien bij de grote keizer Friedrich I Barbarossa. Zo gaat hij mee met een van de veldtochten van de keizer om de Lombardische steden te onderwerpen, die een vertwijfelde vrijheidsstrijd voeren. Hendrik (II) is er getuige van dat de machtige stad Milaan zich moet overgeven. Hij ziet de stoet der onderworpen stedelingen die tussen twee rijen Duitse soldaten doortrekt, de aartsbisschop met alle geestelijken in vol ornaat, de burgemeesters en de raad en daarna alle andere mannen uit de stad met een strop om de hals. Een indrukwekkend tafereel voor graaf Hendrik (II) van Gelre en Zutphen, die tevens ziet, net als alle andere aanwezige edelen en vorsten, welk een macht keizer Friedrich I Barbarossa kan ontwikkelen. En dat komt de keizer natuurlijk goed uit.

In 1178 is Hendrik (II) vanwege zijn hoge leeftijd niet meer in staat zijn graafschap rond te reizen om zijn macht te tonen. Zijn zoon Gerhard III neemt het bestuur van het graafschap over. In 1179 sterft zijn vrouw Agnes en in 1182 volgt Hendrik (II) haar. Iets dat niet veel graven op een dergelijk hoge leeftijd gegeven is in die jaren. Hij maakt nog mee hoe zijn opvolger Gerhard III op jonge leeftijd sterft en zijn tweede zoon Otto I het graafschap overneemt.

Gerhard lll (1178-1182), graaf van Gelre en graaf van Zutphen

Het is onduidelijk of Gerhard III zich met de titel graaf van Gelre en Zutphen mag tooien. Zijn bejaarde vader Hendrik I leeft immers nog. Niettemin draagt Gerhard III de titel graaf van de Veluwe, dus graaf is hij wel. Aangezien hij de leiding over de graafschap in 1178 van zijn vader overneemt en een eigen politiek volgt, beschouwt men hem als een volwaardige graaf van Gelre.
In 1181 trouwt Gerhard III met Ida van Boulogne, dochter van Matteus van Vlaanderen (1138-1173) en Maria van Boulogne (overleden 1180/2). Gerhard III neemt het wapenschild van haar over. Gerhard III is nu tevens graaf van Boulogne.
Er wordt gedacht dat het wapen van Boulogne terug gaat tot de tijd van Karel de Grote, maar bewijzen zijn hiervoor niet. Zeker is dat het wapen op lansvanen gevoerd wordt in de tijd van Willem de Veroveraar, begin elfde eeuw. Men kan deze lansvanen echter niet in verband brengen met Eustatius van Boulogne, die in deze tijd de Vlaamse troepen op de veroveringstocht naar Engeland aanvoert. Het is niet verrassend dat Gerhard III dit fameuze wapen gaat voeren. De roemrijke tijden van Willem de Veroveraar zijn eind twaalfde eeuw nog niet vergeten.

Conflict met Utrecht

In 1179 ontstaat het eerste openlijke conflict met Utrecht. De oorzaak daarvan ligt bij de hertog van Brabant. Deze is van mening dat de Veluwe een rijksleen is. Dat houdt in dat hij het van de keizer in leen zou hebben en niet van de bisschop van Utrecht. Derhalve vindt hij dat hij de bisschop geen leenhulde (soort belasting) is verschuldigd.
Gerhard III heeft het op zijn beurt weer in leen van hertog, zodat de situatie gecompliceerd ligt. In 1179 wenst de hertog van Brabant voor de zoveelste keer geen leenhulde aan Utrecht te geven. Hierop verklaart bisschop Boudewijn II dat de rechten van Brabant zijn vervallen en derhalve moet de Veluwe het zonder landsheer stellen. Een bijkomende zaak is dat bisschop Boudewijn II niet welgevallig naar de Gelderse rechten op de Veluwe zal hebben gekeken. Gelre dreigt een wig te drijven tussen het Neder- en het Oversticht (later Overijssel). Hierdoor kan hij niet meer veilig over land van Utrecht naar Oversticht komen. Met een groot leger trekt hij daarom de Veluwe binnen.
De Gelderse rechten zijn hiermee echter ook in het geding gekomen. Overigens heeft Gelre al sinds de elfde eeuw de voogdijrechten over goederen van de Utrechtse Mariakerk, die op de Veluwe zijn gelegen. Gerhard III kan de inval niet over zijn kant laten gaan. Vanuit Zutphen valt hij Deventer aan om zich schadeloos te stellen. Gedurende vier dagen slaat hij voor Deventer het beleg op. Het begin van eeuwenlange twisten tussen Zutphen en Deventer! Deventer hoort bij het Oversticht, dus bij het bisdom Utrecht en dient derhalve als genoegdoening. Toevallig verblijft keizer Friedrich Barbarossa op het valkhof te Nijmegen en hij komt tussenbeide. Hij weet te bereiken dat men van weerskanten iets toegeeft. Gerhard III heft het beleg van Deventer op en blijft in bezit van de Veluwe. Dat is dan slechts een deel van het latere Kwartier Veluwe. Zo is bijvoorbeeld Doorwerth een zelfstandige heerlijkheid, evenals de heerlijkheden Putten en Velp. De Veluwe zou de komende jaren steeds de verhouding tussen Utrecht en Gelre bepalen.

Na dit succes is het Gerhard III niet vergund zijn graafschap verder uit te bouwen. Eind 1181 of begin 1182 (de bronnen zijn niet eenduidig) komt hij te overlijden, nog voor zijn vader Hendrik I overlijdt. Gerhard III wordt begraven in de Sint-Walburgiskerk te Zutphen. Zijn broer Otto I volgt hem op. In 1216 zal zijn vrouw Ida hem in zijn graf volgen.

Het graafschap Gelre werd een machtige staat in de Lage Landen. De graaf van Gelre verwierf in de loop van de 12e eeuw verschillende gebieden in het noorden, o.a. de vesting Zutphen. Binnen de Gelderse bezittingen in de Lage Landen bleven nog heel lang veel onafhankelijke heerlijkheden bestaan. 

Otto I de Grote
, 1182-1207, Graaf van Gelre en graaf van Zutphen

Door de plotselinge dood van zijn broer Gerhard III moest Otto I zijn functie als proost van Xanten neerleggen. Hij diende de graafschap te gaan leiden. Zijn vader Hendrik I zal tegen de 70 jaar zijn geweest en was te oud om de graafschap te leiden. In het eerste jaar van Otto I's regering kwam zijn vader te overlijden. Otto I was getrouwd met Ricarda uit het huis Wittelsbach (in Beieren). Zij kregen drie zonen, Gerhard IV, Otto en Lodewijk en een dochter Adelheid. Net als zijn vader stond Otto I, de eerste graaf van die naam in het Gelderse geslacht, er  bij de Duitse keizer goed op. Dit bleek toen Otto I om de Veluwe moet twisten met de bisschop van Utrecht.

Veluwse twisten

In 1187 rooft de bisschop Boudewijn II van Utrecht met zijn broers graaf Floris III van Holland (1157-1190) en Dirk III van Kleef (1173-1202) opnieuw op de Veluwe en hij brengt de buit naar Deventer. Al in de Middeleeuwen herhaalt de geschiedenis zich blijkbaar. Graaf Floris III valt vanuit het westen de Veluwe binnen, terwijl Dirk III het Gelderse gebied vanuit het oosten intrekt. Opnieuw is het gezag over de Veluwe de inzet. Het ziet er beroerd uit voor Gelre. Graaf Otto I vraagt zijn machtige vrienden de aartsbisschop van Keulen Philips van Heinsberg, de hertog van Lotharingen en hertog Godfried III van Brabant om hem te helpen de bisschop van Utrecht het moeilijk te maken. De goede relaties met Keulen van zijn vader blijken nu van doorslaggevende betekenis. Er wordt een groot leger op de been gebracht. Deze legermacht is vele malen groter dan die van Otto I's tegenstanders. Net als de beproefde tactiek van zijn broer Gerhard III valt Otto I Deventer aan. Zutphen zal waarschijnlijk opnieuw als uitvalsbasis hebben gediend. Uiteindelijk blijft de strijd onbeslist. De reislustige keizer verblijft in deze tijd van strijd toevalligerwijs in de Rijnstreek en hij komt tussenbeide. Hij kent de Veluwe voorlopig aan Otto I toe, totdat op de eerstkomende Rijksdag in Mainz een definitieve uitspraak wordt gedaan. In 1188 wordt deze voorlopige beslissing door de keizer bekrachtigd.

Op kruistocht met Friedrich I Barbarossa
Dat Otto I bij de keizer in een goed blaadje staat blijkt ook uit het feit dat hij meegaat op diens kruistocht. De wederzijdse strooptochten op de Veluwe worden opgeschort. Over de daden van de Geldersen en Otto I tijdens de kruistocht is weinig bekend. Samen met de graaf van Holland en de koningin van Frankrijk en de koningin van Engeland reist hij over zee naar het Heilige Land. De keizer is met zijn leger echter nog niet aangekomen als Otto I zich met zijn manschappen bij de koning van Jerusalem aansluit, die op dat moment de havenstad Acre belegerd.

Als enige uit de lage landen komt Otto I van de kruistocht in 1191 terug. Hij overleeft de zeereis, de oorlog, het klimaat en de ziektes. In 1190 schenkt Otto I stadsrechten aan de omwonenden van zijn grafelijk hof te Zutphen. Over een periode van 5 jaar schenkt hij Zutphen echter wel steeds meer privileges. De burgers van deze stad zijn nu vrije onderdanen met een eigen bestuur, eigen rechtspraak en meer persoonlijke vrijheid. Een groot goed in die tijd. Hiermee hoopt Otto I waarschijnlijk Zutphen in een bevoorrechtte positie ten opzichte van Deventer te brengen. Het schenken van deze privileges kan men niet los zien van het komende gesteggel met Utrecht over de Veluwe. De stad zal flink bijgedragen hebben aan Otto I's militaire bewegingen en zal hiervoor iets terug willen hebben.

Bekoelende banden met het aartsbisdom Keulen
Net als zijn vader Hendrik I onderhoudt Otto I ook goede banden met het aartsbisdom Keulen. De betrekkingen vinden hun hoogtepunt tussen 1180 en 1189, wanneer Otto I diverse malen als getuige optreedt in oorkonden van aartsbisschop Philips van Heinsberg (1163-1191). Na de dood van aartsbisschop Philips bekoeld de relatie met Keulen. Otto I kan zich niet zo goed vinden in de benoeming van Adolf van Altena (1193-1216). Hij blijft echter wel tot de trouwe vazallen van Keulen behoren. Het aartsbisdom Keulen wordt in deze tijd meer en meer bij de keizertwisten betrokken. In 1205 wordt Adolf van Altena door de paus afgezet ten faveure van de Welfse zaak aanhangende Bruno IV van Sayn (1205-1208), die snel wordt opgevolgd door Dietrich I van Heimbach (1208-1212). Adolf van Altena heeft zijn bisschopsmijter echter nog niet neergelegd en blijft hij zijn ambt uitoefenen. Na de moord op Philip von Swaben houdt Adolf zich politiek op de achtergrond. Kortom de zaken liggen  gecompliceerd. Tijdens de Welfse overheersing van het aartsbisdom Keulen is de relatie van de Staufische zaak aanhangende graaf Otto I met het bisdom danig bekoeld.

Nieuw handgemeen over de Veluwe
In 1195 trekt bisschop Boudewijn II van Utrecht ten strijde tegen opstandelingen in het graafschap Drenthe. Otto I trekt met hem op, want tenslotte is de bisschop zijn belangrijkste leenheer. En Otto I is daarom verplicht zijn heer in tijden van oorlog bij te staan. Dat de heren niet op goede voet met elkaar staan blijkt als Otto I probeert te bemiddelen tussen de opstandige heer van Coevorden en de prefect van Groningen enerzijds en de bisschop anderzijds. Hiertoe roept Otto I de hulp in van de aartsbisschop van Keulen en Mainz (1160-1165 en 1183-1200) Konrad van Wittelsbach (familie van zijn vrouw) en Adolf van Altena. Bisschop Boudewijn II ziet de steun voor zijn inval aan de horizon verdwijnen. Hij trekt zich terug, woest op Otto I die zijn aftocht geënsceneerd heeft. Na een adempauze om zijn troepen opnieuw uit te rusten valt hij wederom de Veluwe binnen. Zijn leger stroopt het land af en verwoest vele landerijen. De opstandelingen in Drenthe zijn Otto I's hulp nog niet vergeten en schieten onmiddellijk te hulp. Zij belegeren Deventer 11 dagen. Dan wordt voorlopig de vrede getekend door bemiddeling van hertog Godfried III van Brabant. Het conflict is daarmee nog niet ten einde, want de bisschop wendt zich tot de keizer om hulp tegen die plichtsverzuimende graaf van Gelre. De keizer besluit de Veluwe toe te kennen aan het sticht Utrecht en de hertog van Brabant krijgt het van Utrecht als erfelijk leen. Bij het sluiten van dit verdrag schittert Otto I door afwezigheid.

Bovendien wordt er een college van rechters aangesteld die in toekomstige conflicten over de Veluwe mogen beslissen. De keizer zal het gezeur over de Veluwe wel helemaal zat zijn geweest. De problemen lijken voorbij als bisschop Boudewijn II in 1196 overlijdt.

Een nieuwe bisschop van Utrecht
Bij de verkiezing van een nieuwe bisschop blijkt hoe groot de invloed van de graven op het Sticht is geworden. Otto I probeert  na al deze toestanden uiteraard zijn eigen kandidaat, Arnold van Isenburg, op de bisschopszetel te krijgen. Holland heeft echter ook een eigen kandidaat met domproost Dirk, een broer van graaf Dirk VII van Holland (1190-1203) en de overleden bisschop Boudewijn II. Otto I heeft de steun van de aartsbisschop van Keulen Adolf van Altena en de paus. Graaf Dirk VII van Holland  krijgt steun van de keizer. Er ontstaat een impasse waarin Dirk wordt erkend als electbisschop in het Nedersticht en Arnold in het Oversticht. Hiervan maakt Otto I handig gebruik om zijn neef Engelbert van Berg, op dat moment amper 12 jaar, door Arnold tot proost van Deventer te laten benoemen en aartsbisschop Adolf van Altena bevestigd deze actie. Engelbert van Berg is omstreeks 1185/86 geboren uit een huwelijk tussen graaf Engelbert van Berg en Margaretha. Door toedoen van de graven van Gelre weet hij enkele belangrijke kerkposities te verkrijgen. Veel vriendjespolitiek om ze in moelijke tijden aan een wederdienst te herinneren. Beide partijen sturen hun kandidaat naar de paus in Rome om hem bevestigd te krijgen. Het ongeluk wil dat beide kandidaten onderweg sterven. Dat maakt de weg vrij voor het kapittel om hun eigen onafhankelijke man Dirc II van der Are (1198-1212) op de bisschopszetel te zetten. Deze Dirc II is een voortvarende man. Hij poogt de financiën van het Sticht te ordenen, de Veluwe op te eisen, Groningen en Friesland te onderwerpen en Holland en Gelre hun plaats te wijzen. Met zijn escapades in Friesland stuit de nieuwe bisschop op graaf Willem van Friesland, de broer van graaf Dirk VII van Holland en schoonzoon van Otto I. Otto I heeft namelijk zijn dochter Adelheid uitgehuwelijkt aan Willem van Friesland en het paar trouwt in 1198. Daar Dirk VII van Holland kinderloos is heeft zijn broer Willem de kans om graaf van Holland te worden en door het uithuwelijken van zijn dochter hoopt Otto I invloed te verwerven in Holland. Deze toekomstmuziek verbindt het lot van Gelre en Holland en voor het eerst in de geschiedenis trekken beide graven tegen Utrecht op. Internationaal komt de oorlog echter slecht uit.

Hertog Hendrik I van Brabant (1183/90-1235) weet in 1201 een vrede tussen de partijen te bewerkstelligen. In dit verdrag van Maastricht verkrijgt Otto I definitief de Veluwe, maar wel als Brabants leen. Otto I mag echter geen munten meer slaan met het stempel van Deventer of Utrecht.Bovendien weet de hertog van Brabant te bewerkstelligen dat Otto I het Welfse kamp steunt in de keizertwisten. De graaf van Gelre staat bekend als een trouwe aanhanger van het Staufische kamp en hij zal niet zomaar zijn trouw hebben opgezegd. Niettemin maakt Otto I nu deel uit van de Welfse coalitie samen met de aartsbisschop van Keulen, de bisschop van Utrecht en de hertog van Brabant. Keizer Heinrich VI is in 1190 overleden en zijn minderjarige zoon Frederick II wordt in zijn troonsopvolging dwars gezeten door opstandige Welfen. De coalitie gaat nu eensgezind Otto IV steunen in zijn troonsbestijging, al geeft de graaf van Gelre de voorkeur aan de Staufische kleinzoon van Friedrich I Barbarossa. Maar, ja, politiek is geven en nemen en graaf Otto I is opportunistisch ingesteld. Door het verdrag van Maastricht moet de bisschop nu over de Zuiderzee naar zijn oostelijke en noordelijke bezittingen en een dergelijke reis is geen pretje. Hierdoor is de vrede van korte duur.

Gelre (1200-1300)

Laatst bijgewerkt: 10-08-05