5471 |
De burcht van Leiden |
![]() |
![]() |
Leiden ontstond op het Waardeiland bij de samenvloeiing van de Oude en de Nieuwe Rijn. In de oudste vermelding daarvan, omstreeks 860, werd het toenmalige dorp Leithon (mogelijk ook Litte) genoemd. Op een heuvel op het punt waar de Oude en de Nieuwe Rijn samenkomen werd een burcht gebouwd, waarin aanvankelijk een leenman van de bisschop van Utrecht zetelde. De burcht kwam omstreeks 1100 in handen van graaf Floris l (1049 - 1061) van Holland. |
Omstreeks 1130 liet graaf Dirk Vl van Holland (1121-1157) op deze plek, op een kunstmatige verhoging (motte) een kasteel bouwen, bestaande uit een stevige, stenen, vierkante verdedigingstoren (donjon), met daar omheen verschillende opslagplaatsen en woonvertrekken, dit alles omringd door een stenen muur met kantelen. Een gracht rondom de brucht moest het vijandelijke legers nog moeilijker maken de versterking te naderen. Vanuit deze burcht zouden de graven van Holland voortaan hun gebied besturen. Deze grafelijke burcht bestaat nog steeds en ligt nu midden in de stad Leiden. In 1204 werd de burcht belegerd door het leger van gravin Ada, die echter op haar beurt weer werd belegerd door de aanhangers van Willem l. (z. Graafschap Holland 1200-1300) |
De Leidse Burcht is een prachtig voorbeeld van een motte-kasteel, een sterkte op een kunstmatig opge- worpen heuvel. De waarschijnlijk in het midden van de 12de eeuw gestichte burcht te Leiden bestaat uit een vrijwel cirkelvormige ringmuur op de vlakke top van de heuvel, met een weergang op pijlers en bogen. Achter de huidige ingang uit 1653, stond oorspronkelijk een vierkante woontoren, met rechts claarvan een water- put. De toenmalige ingang lag aan de andere zijde (kleine poortje). | ![]() |
De burcht ligt in de stad aan de Burgsteeg 14, achter een 17de-eeuwse neo-gotische voorpoort. In een oorkonde van de graaf van Holland uit 11 56 komt een Alwinus Casteilanus voor die de functie van burggraaf te Leiden heeft, en het is zeer goed mogelijk dat hij de zorg had voor de Leidse burcht, de ringmuur en de.woontoren op de motte. Een oorkonde uit 1167 noemt een Elinand als burggraaf, aanwezig bij het sluiten van een verdrag tussen graaf Filips van Vlaanderen en graaf Floris 111 van Holland. Van 1202 tot 1241 treffen wij in de documenten een burggraaf Jacob aan, mogelijk tot het geslacht Bokel behorend en misschien gehuwd met een jonkvrouwe van Teylingen. In 1203 stierf graaf Dirk VII van Holland. Daarna versterkten zij zich op de burcht, maar het jaar daarop werden ze bij een uitval verslagen. Het heeft er alle schijn van dat het burggraafschap onder Jacob erfelijk is geworden, want toen hij overleed, kwam het ambt aan zijn dochter. De Burcht had toen als versterking geen betekenis meer, maar de macht van de burggraaf bleef toch aanzienlijk. Toen Leiden in het begin van de 15de eeuw een Hoeks bolwerk was geworden, kwam er in 1420 een beleg door hertog Jan van Beieren. De stad moest zich overgeven en de burggraaf verloor zijn politieke macht. Het burggraafschap vererfde in de 16de eeuw op Jacob, graaf van Ligne. Een van zijn nakomelingen, Claude Lamoral, prins van Ligne, viel tijdens de slag bij Lens in handen van zijn vijanden. De gemeente Leiden is ook thans nog de eigenaresse van van de Burcht. De motte van de Burcht van Leiden is opgeworpen op de westelijke punt van het eiland tussen de Oude Rijn en de Nieuwe Rijn. Om de voet liep de burchtgracht, die gedeeltelijk nog op 18de- en 19de- eeuwse kaarten voorkomt. De toegang naar het burchtterrein wordt gevormd door een zandstenen poort, geflankeerd door twee neo-gotische gekanteelde vierkante torens, vermoedelijk ontworpen door stadsarchitect Willem van der Helm. Het middeleeuwse loopvlak ligt ca. 12 m boven N.A.P. en omstreeks 9 m boven de omliggende grond. De schildmuur en de pijlers bestaan uit tufsteen. In de bogen van de weergang en de segmentbogen van de schietnissen treft men baksteen aan: middeleeuwse zware kloostermoppen. Het muurwerk bestaat uit zg. vulmuren, de binnen- en buitenkant van de muur bestaat uit regelmatig metselwerk en de ruimte daartussen is opgevuld met brokken tuf- en baksteen in specie. De dikte van de muur bedraagt nog geen meter. In de vulling werden stukken Romeins bouwpuin aangetroffen, waarschijnlijk ondermeer afkomstig van het castellum te Valkenburg of van dat van Roomburg. laatst gewijzigd: 17-10-03 |