2947

Constantinopel onder Theodosius ll (408 - 450)

Theodosius ll (408 - 450)
Na de val van Rome (tussen 455 en 476) (na de moord op Valentianus lll (455) en de plundering van Rome door de Vandalen in 455 begon de neergang van het Westromeinse rijk) werd Constantinopel de hoofdstad van het gehele (afbrokkelende) Romeinse Rijk. Tijdens de Middeleeuwen bleef dit oostelijke rijk een buitenpost van de Romeinse beschaving, maar werd na verloop van tijd Grieks georiënteerd en kreeg bekendheid als het Byzantijnse Rijk. Ook dit rijk geraakte in verval, voornamelijk door politieke intriges en samenzweringen.

Thedosius II (408-450) besloot ter bescherming van de cisternen (wateropslagplaatsen) tot de aanleg van een heel nieuw stelsel van stadsmuren. De watervoorraden moesten beschermd worden en het grondgebied dat geschikt was voor de verbouw van voedsel en het houden van paarden diende binnen de versterkingen te liggen. 

Het werk werd in feite verricht in één massale krachtsinspanning in de jaren 413-414 onder leiding van Anthemios, praefectus praetorio per Orienten en onder de zwakke Theodosius in feite de belangrijkste bestuurder van het rijk in die jaren. Zestienduizend burgers, georganiseerd door de circuspartijen van de Groenen en de Blauwen, verrichtten het meeste werk. De muur verrees over een afstand van ongeveer zeven kilometer van de Gouden Hoorn tot de Zee van Marmora. De Gouden Poort van Theodosius I werd erin opgenomen. Aan de stadskant was de muur zo'n elf meter hoog, aan de buitenkant ongeveer negen; de breedte bedroeg viermeter. Zesennegentig torens staken er als evenzovele bolwerken bovenuit.

De muur van Theodosius, zoals hij bekend staat,was opgetrokken onder dreiging van de Hunnen. In 447 was het gevaar van die kant zo mogelijk nog groter. Bovendien verwoestte een aardbeving toen grote delen van de stadsmuur, terwijl Attila naderde. Opnieuw werden duizenden burgers aan het werk gezet om de gaten te dichten. 

Links: De muur van Theodosius

Terwijl Attila met grote sommen aan goud werd afgekocht,verrees een tweede muur als een extra wal op ongeveer twintig meter vóór de eerste, ruim drie meter hoog en voorzien van 192 torens. Sindsdien was Constantinopel een onneembare vesting. 

Aan welke gevaren het rijk ook nog bloot zou komen te staan, de vestingstad zelf zou een vast anker blijven, dat alle stormen zou doorstaan - totdat de benden van de Vierde Kruistocht in 1204 de stad zouden overrompelen en een heel nieuw tijdperk inluiden. De muren van Theodosius omgaven een stad én een landelijk gebied van tuinen, akkers en weiden, en niet te vergeten van reusachtige waterreservoirs; zij gaven van verre de hoofdstad ook een aanblik die de muren van Aurelianus rondom Rome in de schaduw leek te stellen. Het bevolkingsaantal van Constantinopel overtrof nu zeker dat van Rome en beliep misschien zo'n 200.000. De stad was het middelpunt van een rijk dat steeds meer een eigen karakter aannam, ook al bleven namen en titels en allerlei bestuursinstellingen van het laat-antieke keizerrijk, zoals die onder Diocletianus en Constantijn tot stand waren gekomen, voorlopig nog dezelfde. Constantinopel was nu een echt regeringscentrum met zijn kantoren van ministers en kanseliers, kazernes van garderegimenten en een steeds verder uitdijend keizerlijk paleis.

Onder Theodosius II kwam daar ook nog een nieuwe culturele instelling bij: een 'universiteit' met in totaal eenendertig leerstoelen in Griekse en Latijnse grammatica, retorica,rechten en filosofie. Zij was bedoeld als christelijke tegenhanger en vervanger van de nog oude scholen van Athene en Alexandrie, ook al zou zij nooit hun roem en wetenschappelijk belang evenaren.

Sinds de tweede helft van de 5de eeuw was Constantinopel de enige metropool in de wereld die vroeger het Romeinse Rijk had gevormd. De stad was binnen haar nieuwe en reusachtige omwalling en met haar paleizen, pleinen en monumenten en haar schatten aan oude en nieuwe kunstwerken waarlijk de koningin onder de steden. Tegelijk was haar karakter veranderd en veranderde het nog voortdurend, omdat alle laat-antieke elementen tenslotte uit deze christelijke stad zouden verdwijnen. Dat proces was, zoals in alle steden van het Romeinse Rijk en speciaal in de oostelijke helft daarvan, al in de 4de eeuw begonnen. Aan de ene kant was het een proces van verval en afbraak.

In de loop van de 4de eeuw waren in verreweg de meeste steden de gymnasia, die brandpunten van Griekse cultuur, verdwenen, zoals ook de gladiatorenspelen: in beide gevallen het gevolg van groeiende onwil en/of verarming aan de kant van de geldverschaffende elite en van het fulmineren van de kerk tegen deze opzichtige manifestaties van het heidendom. Evenzo boetten de dierspelen of jachtpartijen in het amfitheater in aan omvang en populariteit, al waren hier de economische factoren waarschijnlijk doorslaggevend. Zo bleven in de 5de eeuw alleen de wagenrennen over als spectaculair vermaak voor de massa van de bevolking,wat de betekenis van de Hippodroom in het Constantinopel van de 5de en 6de eeuw verklaart. Het antieke theater was eigenlijk al vóór de stichting van de nieuwe hoofdstad een langzame dood gestorven; in de laat-antieke wereld waren de opvoeringen een vorm van mime of ballet geworden en vonden zij gewoonlijk plaats in de Hippodroom. De openbare badhuizen herinnerden nog wel aan de thermen uit de bloeitijd van de Romeinse urbane cultuur, maar de preken van kerkelijke zijde tegen de veronderstelde zedeloosheid van die plaatsen voorspelden niet veel goeds.

Gemaakt: 23-06-07

colofon