2926

Rome (304 - 264 v. Chr.)

Rome (326 - 304 v. Chr.) z. ook stad Rome (300 - 200 v. Chr.)

Gedurende de gehele 3e eeuw v. Chr. was Rome vrijwel constant in staat van oorlog. Niet alleen om de oorlogsbuit te vergaren, maar ook om vijandelijke bedreigingen af te wenden en uit vrees dat andere volkeren wel eens machtiger zouden kunnen worden dan de Romeinen. Bovendien voeren ze oorlog uit trots en als een plicht aan de goden, die Rome de taak hadden gesteld de wereld te regeren. 
 De door de Romeinen gevoerde oorlogen werden met de meest afschuwelijke wreedheden gevoerd en kostten duizenden mensen het leven. De Romeinen richtten bovendien in de veroverde gebieden enorme verwoestingen aan. De welvaart in de veroverde gebieden werd door hen volkomen ten gronde gericht. Bergen kostbare kunstvoorwerpen werden als oorlogsbuit weggesleept om te worden gebruikt om de stad Rome te verfraaien. Bovendien moesten de overwonnen vorsten enorme bedragen aan oorlogsschatting betalen. De krijgsgevangenen werden onmiddellijk onthoofd of als slaven verkocht. Vaak gebeurde het dan ook dat de mensen zelfmoord pleegden om maar uit handen van de Romeinen te kunnen blijven. 

De Romeinse soldaten werden werden gerekruteerd onder de boerenbevolking. Later uit de bevolking in de steden. Dat had een groot voordeel. De soldaten die van het platteland kwamen keerden het liefst zo snel mogelijk terug naar hun boerderijen. De soldaten die uit de steden kwamen waren meest werkloze mannen die niets te verliezen hadden. Zij wilden best een langere tijd dienst nemen in het leger en ook desnoods buiten Italië aan oorlogen deelnemen. Van het geld dat zij als huursoldaat verdienden hoopten ze later een stuk land te kunnen kopen. Deze soldaten waren hun aanvoerders dan ook bijzonder trouw. Ze droegen hem op handen. Het gevolg was echter dat de legeraanvoerders met hun leger van trouwe soldaten grote macht kregen. De Samnieten zagen rondom hun gebied de Romeinse vestingen als paddestoelen uit de grond schieten, en beseften dat een inlijving bij de Romeinse gebieden niet meer veraf was. Hun enige heil lag in een algemene Italiaanse opstand tegen Rome. Ze konden de Etrusken overhalen om de wapens op te nemen en vielen Lucania, Romeins bondgenoot in de vorige oorlog, binnen. Rome reageerde prompt en begon in 298 v. Chr. de Derde Samnitische Oorlog (298 - 290 v. Chr.)

Samnium zette alles op alles en bracht 3 legers in het veld: één voor de verdediging van de eigen gebieden, één voor een inval in Campania en één als steun voor de Etrusken. De fortengordel tussen Samnium en Etrurië was in die tijd nog niet afgewerkt en het Samnitisch leger kon doordringen naar het noorden, waar het zich aansloot bij een gecombineerd Etruskisch-Gallisch leger. Voor de Romeinen was dit een angstwekkende combinatie want nauwelijks 100 jaar daarvoor hadden de Galliërs Rome nog verwoest. Rome ging over tot een algemene mobilisatie en zelfs vrijgelatenen en gehuwden werden opgenomen in de legioenen. Een leger van 60000 man marcheerde langs de Tiber naar het noorden, terwijl een reserveleger vanuit Falerii een inval deed in Etrurië. De legers ontmoetten elkaar bij Sentinum (295 v. Chr.), 170 km ten noorden van Rome. De voorhoede van de Romeinen werd verslagen, maar toen de Romeinse invasie van Etrurië bekend raakte, scheidde het Etruskisch leger zich af en trok huiswaarts om hun eigen steden te gaan verdedigen.

De beslissende slag begon: op de rechtervleugel bleef de strijd van consul Rullianus met 2 legioenen tegen de Samnieten lange tijd onbeslist, op de linkervleugel had consul Publius Decius het bevel, en begonnen de legioenen te wijken onder druk van de Gallische strijdwagens. Publius Decius, zoon en naamgenoot van de consul die zichzelf opofferde tijdens de Latijnse Oorlog, besloot het voorbeeld van zijn vader te volgen, en stortte zich na de passende godsdienstige rituelen temidden van het strijdgewoel. Zijn dood gaf de legionnairs weer moed en verbeten hielden ze stand tot de reserve opdaagde op de bedreigde linkerflank. De ruiterij viel de Galliërs aan in de rug en deze sloegen op de vlucht. Even later werd ook de Samnitische weerstand gebroken en hun aanvoerder Egnatius gedood.

In 294 v. Chr. vroeg Etrurië om vrede en werd een wapenstilstand voor 400 maanden afgesloten. Ook de Galliërs hadden er genoeg van en namen niet verder deel aan de strijd. Het jaar daarop drongen de Romeinen nogmaals door in Samnium en versloegen het Samnitisch leger bij Aquilonia. Zelfs na deze zoveelste nederlaag bleef een harde kern zich in de bergen verzetten en behaalde nog enkele kleine overwinningen, maar in 290 v. Chr. was alles voorbij en legden de Samnieten zich voor de derde maal neer bij de Romeinse vredesvoorwaarden. Net als in 304 v. Chr. waren de voorwaarden niet streng en werd er geen gebiedsafstand geëist. Wel mochten de Samnieten niet langer onafhankelijk oorlog voeren; ze konden enkel nog ten strijde trekken onder Romeinse generaals.

De Romeinen bleven zich verder concentreren op Midden-Italië: het Sabijnse gebied werd veroverd en verdeeld onder Romeinse burgers, in het gebied tussen de Apennijnen en de Adriatische Zee werden de vestingen Hatria (het huidige Adria) en Venusia gesticht, terwijl de Via Appia, die Rome verbond met Capua, werd doorgetrokken tot in Venusia.  

Terwijl de Romeinen systematisch oorlogvoerend haar heerschappij geleidelijk uitbreidde over heel Midden-Italië, breidde de Noord-Afrikaanse stad Carthago haar macht uit in Sicilië. Pyrrhus van Epirus (een koninkrijk in Noordwest-Griekenland) deed verwoede pogingen om de Grieken uit het westen tegen de twee nieuwe machten te verenigen. 

De vrede na de Derde Samnitische Oorlog was van korte duur. In 285 v. Chr. werd al een nieuwe anti-Romeinse coalitie gevormd. 

De initiatiefnemers waren ditmaal de Lucaniërs, de trouwe bondgenoten van de Romeinen in de Samnitische Oorlogen. Als beloning voor hun bijdrage in de oorlog kregen ze van Rome de vrije hand in hun optreden tegen de Griekse steden in hun gebied. De Grieken van Thurii volgden echter het voorbeeld van Capua meer dan een halve eeuw eerder, en boden de Romeinen hun stad aan in ruil voor bescherming tegen de strooptochten van de Lucaniërs. Rome had na de bouw van de vesting van Verusia het verbond met de Lucaniërs niet meer nodig en stemden toe.

De Lucaniërs reageerden met een aanval op Thurii en wekten zo het verzet van de Samnitisch-Tarentijnse coalitie opnieuw aan. Ook in Noord-Italië ontstond een nieuwe verbond tussen Etrusken, Umbriërs en Galliërs. Rome zag zich 5 jaar na de Derde Samnitische Oorlog plots langs alle zijden omringd door vijanden. De naar het noorden gestuurde legioenen werden bij Arretinum verslagen door de Gallische stam van de Senones.

Voor de zoveelste maal toonde Rome dat het in moeilijke tijden steeds op zijn best was, en stuurde een nieuw leger noordwaarts. Dit rukte het gebied van de Senones binnen en doodde iedereen die niet tijdig vluchtte. De volledige Senonische stam werd uit Italië verjaagd en hun gebied door de Romeinen ingepalmd. In 283 BC werd het Etruskisch-Gallisch leger dat naar Rome marcheerde, volledig vernietigd terwijl het ten noorden van de hoofdstad de Tiber trachtte over te steken.

Rome had zodanig snel gehandeld dat het verzet in Noord-Italië reeds gebroken was nog vóór de coalitie in Zuid-Italië gevormd was. Hierdoor kreeg Rome de handen vrij om op te treden in het zuiden: een grote troepenmacht ontzette Thurii en versloeg de Lucaniërs in een hevige veldslag.

Oorlog tegen Pyrrhus (280 – 272)  

Tarentum, opgeschrikt door het plotse verschijnen van Romeinen in Magna Graecia, reageerde nogal paniekerig: enkele Romeinse schepen die de haven wilden aandoen werden gekelderd en een leger uitgestuurd om het Romeins garnizoen uit Thurii te verdrijven. Daarna zocht het haastig hulp in de Helleense wereld en voor de tweede maal reageerde een vorst van Epirus op het verzoek: Pyrrhus. Hij was de beste Helleense strateeg van zijn generatie en had 5 jaar eerder gedurende 7 maanden de Macedonische kroon gedragen. Hij was steeds tot actie bereid en snakte werkelijk naar een veldslag. Bovendien koesterde ook hij de droom van een Westhelleens rijk en hij zag zichzelf reeds aan het hoofd van een leger dat Rome en Carthago zou verslaan.
In 280 v. Chr. landde hij samen met 25000 goedgetrainde phalanxisten en 20 olifanten in Tarentum. Hij begon direct met het organiseren van de verdediging van de stad en riep alle weerbare Tarentijnen onder de wapens. Hij sloot theaters en openbare gelegenheden en begon de burgers te drillen. 

De Romeinen die inzagen dat een oorlog tegen een geoefende Macedonische falanx geleid door een voortreffelijk generaal iets totaal anders was dan een strijd tegen enkele bergstammen, brachten onmiddellijk een nieuw leger op de been en namen zelfs proletarii hierin op. Er werd zo snel mogelijk zuidwaarts gemarcheerd om te beletten dat Pyrrhus de opstandige Samnieten bij zijn leger zou voegen. Nabij Heraclea kwamen legioen en falanx tegenover elkaar te staan.

De Romeinse ruiterij opende de veldslag met een snelle aanval en versloeg de Epirische cavalerie. Pyrrhus stelde zich aan het hoofd van zijn onwrikbare falanx, die tot 7 maal toe de aanval van de legioenen weerstand. 

Toen de Romeinse ruiterij een nieuwe aanval uitvoerde op de flank, achtte Pyrrhus de tijd rijp voor een beslissende zet en stuurde zijn olifanten op de vijand af. De Romeinen keken met grote ogen naar de enorme dieren en de paarden sloegen schichtig op de vlucht. Het Romeinse voetvolk kon onmogelijk stand houden tegen deze verpletterende aanval en week terug, 7000 doden achterlatend op het slagveld.  

De redding van Pyrrhus, schilderij van Nicholas Poussin (1634)

Na deze overwinning sloten de Samnieten,Lucaniërs en Bruttiërs zich aan bij Pyrrhus en verdreven de Griekse steden de Romeinse garnizoenen. Pyrrhus had in de veldslag echter 4000 ervaren veteranen verloren en kon die verliezen veel moeilijker opvangen dan de Romeinen. Hij maakte een vredesvoorstel over, dat door de Romeinse Senaat onder impuls van de oude Appius Claudius Caecus van de hand gewezen werd. Caecus lanceerde hierbij de kreet dat Rome niet onderhandelt zolang er vreemde troepen op Italiaanse bodem zijn. Hierop rukte Pyrrhus Campania en Latium binnen, maar kon de Latijnse steden niet overhalen het bondgenootschap met Rome op te zeggen. Hij naderde tot op 40 km van Rome maar waagde geen aanval. De winter deed zijn intrede en de veldtocht van 280 v. Chr. werd beëindigd.

Het volgend jaar rukte Pyrrhus vanuit Tarentum opnieuw noordwaarts en wist de Romeinen tot een tweede veldslag op effen terrein (waar de falanx het best functioneerde) te bewegen. De Slag bij Ausculum leek wel een copie van deze bij Heraclea (de falanx hield onwrikbaar stand en een frontle aanval met olifanten doorbrak de Romeinse linie) en opnieuw moesten de legioenen verslagen afdruipen. Deze tweede overwinning schonk Pyrrhus weinig voldoening want zijn eigen verliezen waren aanzienlijk. Toen iemand de koning feliciteerde, snauwde deze:"Nog één zo'n overwinning en ik zal zonder 1 man naar Epirus terugkeren!". Hierdoor ontstond het gezegde een 'Pyrrhusoverwinning', een overwinning aangevend die zo duur gekocht is dat ze het effect heeft van een nederlaag.

Ondertussen waren de Carthagers (in die tijd de bondgenoten van Rome) onder generaal Mago aan de winnende hand op Sicilië en belegerden het laatste Griekse bolwerk op het eiland, Syracuse. Ze werden in hun strijd gesteund door de Mamertijnen (Italische huursoldaten die door Agathocles van Syracuse naar Sicilië gehaald waren, maar na zijn dood aan het plunderen sloegen). Pyrrhus doorzag de ernst van de situatie en zeilde in 278 v. Chr. naar Sicilië. De uitmuntende strateeg ontzette Syracuse en deed enkele succesvolle aanvallen, waardoor de Carthagers teruggedrongen werden in hun vesting Lilybaeum en de Mamertijnen in Messana. Andermaal maakte hij het karwei niet af (dit was de meest ongelukkige eigenschap van de briljante generaal), en keerde op aandringen van Tarentum terug naar Italie, vooraleer Sicilië volledig veroverd was.

Gedurende de afwezigheid van Pyrrhus waren de Romeinen weer oppermachtig op het schiereiland en versloegen de Lucaniërs en Bruttiërs en heroverden de Griekse steden, met uitzondering van Tarentum en Rhegium. In 275 v. Chr. kwam het tot een nieuwe veldslag tussen Pyrrhus en de Romeinse legioenen. Deze hadden lessen getrokken uit het verleden en vielen aan in het heuvelachtig terrein nabij Beneventum. Een aanval van de olifanten werd beantwoord met een regen van brandende pijlen en de dieren maakten verschrikt rechtsomkeer en stormden door hun eigen linies. De falanx die het moeilijk had om zich te formeren op het oneffen terrein, viel uiteen en werd verpletterend verslagen. Pyrrhus keerde terug naar Epirus en mengde zich nu in de Griekse oorlogen, tot hij 3 jaar later gedood werd tijdens een straatgevecht. Zijn hele leven lang had hij veldslagen gewonnen en oorlogen verloren.

In 272 v. Chr.werd Tarentum ingenomen door de Romeinen en verloor zijn zelfstandigheid. Twee jaar later werd de laatste vrije Griekse stad op het Italiaanse vasteland, Rhegium, eveneens aan de Romeinse bezittingen toegevoegd. Na de overwinning op Pyrrhus van Epiros, was Rome ook de onbetwist heerser over Magna Graecia (Zuid-Italië).

Vierde Samnitische oorlog (269) 

De Vierde Samnitische Oorlog bestond (in tegenstelling tot de 3 vorige) slechts uit 1 offensief. De Romeinen, op hun tenen getrapt door de Samnitische steun aan Pyrrhus, besloten hard op te treden en vernietigden de laatste resten van de Samnitische vrijheid. Het gebied werd definitief ingelijfd en het zwaard en de galg brachten eindelijk rust in de bergen van Samnium.

Rome had nu de macht over heel Italië, ten zuiden van de Rubicon, de grens van Gallia Cisalpina. Eeuwen later, toen de Romeinse veroveringen dit punt reeds ver overschreden hadden, werd de Rubicon nog steeds als de grens van Italië beschouwd. Het Romeinse grondgebied besloeg 80000 km2 en telde 4 miljoen inwoners, nauwelijks 120 jaar nadat Rome door de Galliërs was platgebrand.  

Ook naar het noorden, het gebied tussen de Alpen en de Apennijnen, breidden de Romeinen hun macht uit. In dit gebied - dat door de Romeinen Gallia Cisalpina werd genoemd - maakten voorheen de de Kelten (Galliërs) de dienst uit, tot in de 3e eeuw v. Chr. de Romeinse expansie begin met koloniën als Placentia (het huidige Piacenza) en Cremona

In 265 v. Chr. vernietigde Rome de laatste Etruskische stad Volsinii

Rome: 280 - 275 v, Chr,

Rome (264 - 218 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 02-04-03

colofon