82

Pretiglien (Tegelen glaciaal) (± 2,588 - ± 2,4 mjg) 

Plioceen (5,332 - 2,588 miljoen jaar geleden)

Op het noordelijk halfrond beginnen zich omstreeks 2,5 miljoen jaar geleden tijdens het Pretiglien tamelijk grote landijskappen te ontwikkelen. IJsbergen laten tot vrij ver zuidelijk puin achter op de bodem van de Atlantische Oceaan. De zeespiegelstand beweegt gedurende het Pretiglien tot drie keer toe minimaal 50 meter op en neer. De invloed van kouder water vanuit het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan neemt toe. Warmteminnende loofbomen en subtropische Tertiaire flora-elementen zijn geheel uit de vegetatie verdwenen. De opheffing langs de randen van het Noordzeebekken, die in het Laat-Mioceen begint, zet door in het Pretiglien. Behalve het zuidoosten en oosten maakt het grootste deel van ons land gedurende het Pretiglien nog deel uit van de Noordzee.

Natuurinformatie - Het Vroeg-Pleistoceen

Toen Zuid-Amerika tijdens het Plioceen zover naar het noorden was geschoven dat er een verbinding ontstond met Noord-Amerika landengte van Panama), begonnen de twee aparte diergroepen van beide continenten zich te vermengen. Toen er eenmaal een nieuw evenwicht was ontstaan, had Zuid-Amerika een stabiele populatie dieren afkomstig van beide continenten. (Nu is ongeveer de helft van alle Zuid-Amerikaanse dieren van Noord-Amerikaanse origine. Ten noorden van Midden-Amerika komen maar weinig zuidelijke soorten voor.

Deze stabiliteit was echter van korte duur. Doordat de twee continenten aan elkaar vast kwamen te zitten, raakten de oceaanstromingen verstoord en dit had drastische gevolgen voor het klimaat. De landengte blokkeerde de west-oost-circulatie van het oceaanwater en zorgde voor een krachtigere Golfstroom. Naarmate er meer warm water door de Golfstroom richting Noordelijke IJszee werd gestuwd, nam de neerslag toe. hevige sneeuwval leidde tot de vorming van drie kilometerdikke gletsjers. Deze veranderingen leidden tot de beroemde IJstijden en een groot aantal van de wonderlijke beesten die de Aarde tijdens het Plioceen bewoonden, stierf hierdoor uit. Aangezien een groot lichaam warmte beter vasthoudt dan een klein, werden veel zoogdieren groter, zoals de woldragende mammoet. Zelfs in de gematigde zones als Australië werden de dieren reusachtige: grote vleesetende kangoeroes (Zygomaturus), wombatachtige dieren zo groot als een vrachtwagen en een buidelleeuw met tweemaal de omvang van een luipaard (Thylocaleo).

Deze grote zoogdieren, zoals de buidelleeuw en de vleesetende kangoeroe, stierven tussen de honderd en twintigduizend jaar geleden uit. Niet alleen in Australië, maar ook in Noord-Amerika verdween de megafauna, waaronder de mammoet, het paard de kameel, en tientallen andere grote zoogdieren uit de ijstijd omstreeks 11.000 jaar geleden.

± 2,4 miljoen geleden begon het Pleistoceen, de eerste periode van het Kwartair, waarin ijstijden (glacialen) en tussenijstijden (interglacialen) elkaar voortdurend afwisselden. Tijdens deze ijstijden breidden de poolkappen en gebergte gletsjers zich uit. Ook Nederland werd enkele malen bereikt door de ijskap die zich vanuit Scandinavië naar het zuiden toe uitbreidde. 

De landijskappen hebben nimmer de subtropen en tropen bereikt. In de Sahara zijn weliswaar onweerlegbare bewijzen gevonden van een ijsbedekking gedurende het Ordovicische IJstijdvak (510 - 440 miljoen jaar geleden), maar het Afrikaanse continent bevond zich toen niet op zijn huidige plaats, maar zodanig dat het op gematigde breedte lag. 

Tijdens de ijstijden was er in ons land geen of weinig vegetatie en werden in noordwest en Midden-Nederland door de wind de dekzanden afgezet. Alleen in het zuidoosten van ons land wordt een andere afzetting gevonden: de löss.

Tijdens de interglacialen was ons land bebost en de temperatuur vergelijkbaar met de huidige. In deze perioden werden door de rivieren in Noord-west- en Midden-Nederland klei en zand afgezet. Tussen de rivieren werden venen gevormd.

De wereldwijde afkoeling van het klimaat tijdens het Pretiglien Glaciaal (± 2,6 - 2,45 mjg), viel samen met het ontstaan van de Homo Habilis, die zich uit de Vroege Homo Habilis had ontwikkeld. De stenen werktuigen van de Homo Habilis (waaronder veel vuistbijlen) worden aangeduid met Oldowan of Olduvai cultuur wordt gezien als de oudste "menselijke" cultuur.

Nauw verwant aan de Homo Habilis was de in dezelfde tijd levende Homo Rudolfensis, die zich uit de Kenyanthtropus platyops had ontwikkeld.

De cultuurperiode waarin de eerste Homo-soorten leefden duiden we aan met Oud-Palaeolithicum


Tegelen-Warmtetijd (2,4 - 1,8 mjg)

laatst bijgewerkt: 06-01-07

colofon