754

 Vondsten van de Australopthecus Africanus

Australopithecus Africanus

In 1923 werd Afrika's eerste fossiele hominide gevonden op een locatie die toen Broken Hill heette (Nu Kabwe*) in het tegenwoordige Zambia. Het fossiel leek vrij modern en werd gedateerd op ongeveer 150.000 jaar oud en wordt tegenwoordig gezien als een Homo heidelbergensis. In die tijd waren er al oudere fossielen bekend uit Azië en dus voldeed het aan het beeld dat wetenschappers in die tijd hadden van onze evolutie, namelijk dat deze was begonnen in Azië en dat de mens daarna was uitgespreid over Europa en Afrika.

Op 28 november 1924 was de Zuid-Afrikaanse hoogleraar anatomie Raymond Dart aan de universiteit van Witwatersrand getuige op de bruiloft van zijn beste vriend. Op het moment dat hij zijn jacquet aantrok, werden er twee kisten bezorgd, afkomstig uit de kalksteenmijnen bij het plaatsje Taung. Een vriend daar stuurde hem altijd de fossielen op die mijnwerkers aantroffen. Dart, nog maar half gekleed, doorzocht de kisten meteen. 

De inhoud van de tweede kist, zo schreef hij later zelf, 'deed hem rillen'. Want in zijn hand hield hij een stuk steen dat er uitzag als een stel hersenen, een natuurlijk afgietsel dat was gevormd doordat zich gesteente in een schedel had afgezet. Het afgietsel was ongeveer zo groot als het brein van een chimpansee. Maar Dart, zeer goed thuis in de neuro-anatomie, zag meteen dat het brein daar veel te menselijk voor oogde. Toen hij dieper in de kist ook een nog gedeeltelijk in kalksteen gehuld schedeltje vond waar de fossiele hersenafdruk in paste, wilde hij meteen aan het werk. De bruiloftsgasten konden echter elk moment arriveren, zodat hij een dag moest wachten. Met zijn hoofd heel ergens anders kon Dart zich naderhand niet veel meer van het huwelijk herinneren.

Een paar weken later, toen Dart met veel geduld, beiteltjes en de geslepen breinaalden van zijn vrouw het schedeltje van het kalksteen had bevrijd, kon hij pas goed zien dat hij zich niet had vergist. Het hele aangezicht van het aapachtige wezentje, zoals hij het noemde, was nog intact, inclusief de boven- en onderkaak, met tanden en al. Ook die zagen er erg menselijk uit. Was het schedeltje van een aapachtige geweest, dan zouden er bijvoorbeeld slagtandachtige hoektanden moeten zijn. 

Links: Makapanskat

Dart noteerde: gebit mensachtig; hersenvorm mensachtig; hersengrootte aapachtig. Conclusie: van aap naar mens begon niet met groeiende hersenen. Dat stond echter haaks op wat er in die dagen werd aangenomen. De grote hersenen van de Piltdownschedel was nog niet als vervalsing ontmaskerd, en bovendien werden in China in dezelfde periode steeds meer fossielen gevonden die deden denken aan de Javamens van Dubois - mensachtigen met een behoorlijk groot brein. Het leek daarom overduidelijk bewezen dat de toenemende hersengrootte het eerste kenmerk was dat de mens van de aap deed verschillen. Dart, zo was de kritiek, had het schedeltje van een jonge chimpansee gevonden. Hijzelf schreef immers dat het wezentje nog maar een melkgebit had, dat nog niet helemaal was doorgekomen.
Dart beschreef zijn vondst in 1925 in het wetenschappelijke blad Nature, maar het duurde een jaar voordat hij afgietsels van zijn vondst naar zijn collega's stuurde. Met alleen een paar foto's om Darts vondst te bestuderen waren de meest vooraanstaande biologen niet erg onder de indruk. Omdat er verder in Afrika weinig belangrijke fossielen waren gevonden dachten zij dat het waarschijnlijk om een uitgestorven voorouder van de mensapen ging en zij besteden er dan ook weinig aandacht aan.
Maar Dart bleef geloven in zijn wezentje, dat hij 'Australopithecus africanus' had genoemd, 'zuidelijke aap van Afrika'. In de wandeling stond het fossiel echter al snel bekend als het 'kind van Taung'. Vijfentwintig jaar duurde het voordat de wetenschappelijke gemeenschap Dart serieus ging nemen - een kwart eeuw waarin een paar fossielen van volwassenen soortgenoten van het kind gevonden werden. Zij lieten ondubbelzinnig zien dat er ooit mensachtige wezens hadden bestaan met net zulke grote hersens als mensapen. Dat ze menselijk waren, bleek ook nog eens uit de bouw van ruggengraat, heup en dijbeen, die verraden dat Australopithecus africanus rechtop gelopen had.

Rechts: Raymond Dart met de Taungschedel

Fossiele resten van de Australopithecus Africanus  zijn vooral gevonden in Sterkfontein. Voor het eerst gebeurde dat in 1935 door Robert Broom

Er was echter een man die wel geloofde dat Darts Taung kind een menselijke voorouder was: Robert Broom. Darts eerste contact met de excentrieke Broom was toen deze Darts laboratorium binnen stormde en op zijn knieën viel in ere van deze voorouder van de mensheid. Broom was een huisarts annex fossielenjager met een ietwat dubieuze reputatie. Hij altijd met iedereen ruzie, zelfs met zijn klanten van het British Museum, die nadien geen zaken meer met hem wouden doen. Broom was er van overtuigd dat de mensheid uit Afrika kwam en was naarstig op zoek naar fossielen om zijn theorie te onderbouwen. Twaalf jaar na de ontdekking van het Taung kind kreeg Broom een gehavende schedel in handen die van een volwassen Australopithecus bleek te zijn. Steenhouwers hadden het fossiel in een van de leisteengroeves gevonden. Broom noemde zijn vondst Plesianthropus transvaalensis, maar later bleek dat het een volwassen Australopithecus africanus was.

Twee jaar later was het voor hem weer raak. Deze nieuwe schedel was veel robuuster dan de eerdere vondsten, hij noemde het Paranthropus robustus. Met al deze nieuwe vondsten, begon de wetenschap zich meer op Afrika te richten. Meer en meer fossielen werden in Zuid-Afrika gevonden en veel van deze werden geëerd met hun eigen geslachts- en soortnaam. Zo had men Australopithecus africanus, Plesianthropus transvaalensis, Paranthropus robustus, Australopithecus prometheus en Paranthropus crassidens. In de vijftiger jaren werd besloten dat de fossielen van deze verschillende geslachten te weinig van elkaar verschilden om deze diversiteit in benaming te rechtvaardigen. Men besloot al deze fossielen in één geslacht onder te brengen. Er ontstonden zo twee soorten de robuuste Australopithecus robustus waar Broom's Paranthropus onder viel, en de lichter gebouwde Australopithecus africanus (Om het allemaal nog ingewikkelder te maken, tegenwoordig groeperen de meeste experts Australopithecus robustus weer in het geslacht Paranthropus).

De Afrikaanse fossielen werden steeds belangrijker, maar hun leeftijd bleef een groot vraagteken. De fossielen die in Afrika gevonden werden kwamen bijna allemaal uit leisteengrotten. Na zware regenval liepen deze grotten vol met regenwater, zand en andere rotzooi. De overblijfselen van onze voorouders konden eerst wel kilometers ver door het regenwater meegesleurd zijn voordat zij in de grotten terechtkwamen. Zij konden dus niet worden gedateerd door naar de omgeving te kijken. Het duurde tot de vijftiger jaren tot men fossielen vond die wel goed te dateren waren. De ouderdom van de fossiele resten, zowel die uit Sterkfontein als Makapanskat, zijn gedateerd op ± 2,5 miljoen jaar oud. 

Op twee plaatsen in Oost-Afrika kwamen nog meer fossielen aan het licht die van de Australopithecus Africanus afkomstig moeten zijn. In Lothagam een kaakfragment en - zij het van veel jongere datum - in Kanapoi het onderstuk van een opperarmbeen.

Grote handigheid van vroege hominide gereconstrueerd

Bijna tweeëneenhalf miljoen jaar oud en toch al heel handig. Aldus luidt het oordeel van de Frans/Amerikaans/Keniaanse archeologenteam over de vroege mensensoort die de stenen werktuigen maakte die het team heeft gevonden in de Lokalalei-site bij het Turkanameer in Noord-Kenia (Nature, 6 mei). Het team baseert zijn oordeel op een unieke reconstructie van de wijze waarop de hominide, vermoedelijk een Australopithecus of een Paranthropus, scherpe `afslagen' sloeg van lavakeien om als mes te gebruiken. Zo rijk is de onderzochte site, dat 10 procent van de 3.000 stenen en fragmenten weer aan elkaar gepast kon worden. De `slagman of -`vrouw' blijkt een uitstekende materiaalkennis te hebben gehad en een uiterst geoefende hand. Het afslaan van bruikbare steenfragmenten vereist veel oefening. En dat allemaal door een nog chimpanseeachtig wezen met een herseninhoud van hooguit 6 à 700 cc.

In een commentaar bij het Nature-artikel vergelijkt de Britse archeoloog James Steele de 2,4 miljoen jaar oude handigheid met de prestaties van moderne mensapen. West-Afrikaanse chimpansees (met ca. 450 cc hersenen) kunnen met een steen noten kraken, een vaardigheid die ze van generatie op generatie aan elkaar doorgeven en die een belangrijke uitbreiding van de voedselverwerving betekent. Het leerproces dat iedere chimpansee hiervoor moet doorlopen duurt enige jaren, daarna zijn ze handig genoeg om de noot niet te verpletteren maar precies op de goede plek stuk te slaan. De slagscheikunde voor de stenen uit Lokalalei is veel gecompliceerder dan dit chimpanseehandigheidje. Steeds belangrijker wordt dan ook de vraag wie van de beschikbare Australopitheci zo handig waren. Maar daarvoor ontbreken nog voldoende gegevens.

De werktuigen zijn niet de oudst bekende, maar het scheelt niet veel. Nog niet zo lang geleden golden de Oldowaiaanse stenen werktuigen (uit de Oldowai-kloof in Tanzania) met een leeftijd van 1,8 miljoen jaar oud als de oudste menselijke artefacten. De bijbehorende hominide (die 2 tot 1,5 miljoen jaar geleden leefde) werd in de jaren zestig dan ook trots Homo habilis genoemd, de handige mens. Maar inmiddels blijken de oudste werktuigen 2,6 miljoen jaar oud (de Gona-vondst in Ethiopië, zie Nature, 23 januari 1997). En er gaan ook steeds meer stemmen op om nu juist Homo habilis uit de ècht menselijke familie, het genus Homo, te gooien: te lange armen, te snelle volwassenheid, te geringe lichaamsmassa, te weinig herseninhoud. (zie Science, 2 april) De vroegste Homo-soort zou dan worden Homo ergaster, een vroege Homo erectus die leefde vanaf 1,9 miljoen jaar geleden. Het werktuiggebruik gaat dus aan Homo vooraf.

De aandacht richt zich dan ook steeds sterker op de andere voorgangers van Homo in Oost-Afrika: Australopithecus en Paranthropus. De genusnaam Paranthropus wil weinig meer zeggen dan dat de naamgevende paleoantropologen denken dat de soort niet een directe voorouder is van Homo. Er worden steeds meer soorten gevonden: Australopithecus afarensis (ca. 3 à 3,5 miljoen jaar oud), Paranthropus aethiopicus (ca 2,5 mln jaar oud), Paranthropus boisei (ca. 2,25 mln jaar oud) en onlangs nog Australopithecus garhi (ca. 2,3 mln jaar), waarbij ook nog dierenbotten met snij- en slagsporen niet heel ver uit de buurt werden gevonden.

Bronnen:

  • Grote handigheid van vroege hominide gereconstrueerd / Hendrik Spiering: Uit NRC Handelsblad
  • Noorderlicht Webdocs De bottenjagers - Naar Afrika

  • Afrika

laatst bijgewerkt: 15-01-03

colofon