834

De Piltdown mens

Het verhaal van de Piltdown mens, waarin de wetenschap op het verkeerde been werd gezet.

bron: Thinkquest


In 1900 is er heel weinig bekend over onze prehistorische voorouders. Het weinige dat we weten, is afkomstig van oeroude botten, maar dat zijn er nog niet zo veel. De meeste botten vergaan. Slechts één op de miljoen versteent en zo een fossiel moet dan ook nog eens ontdekt worden. De fossielen, waar geleerden omstreeks 1900 mee moesten werken, waren in Europa en Azië gevonden. De grote vraag was of een van deze fossielen de mensachtige voorouder was die als eerste uit de mensapen evolueerden en de weg naar de moderne mens insloeg.

Piltdown mens
fig. 2.6.1:
Een reconstructie tekening van de Piltdown mens

In 1909 dachten een paar amateur-onderzoekers het antwoord op deze vraag gevonden te hebben. In het Engelse graafschap Sussex bij Piltdown, in een grindgroeve, stuitte de pikhouweel van een werkman op iets dat een kokosnoot leek. De advocaat en amateur-geoloog Charles Dawson bekeek de fragmenten en concludeerde dat het stukken van een menselijke schedel waren. Dawson onderzocht de vindplaats samen met de conservator van de geologische afdeling van het Natural History Museum in Londen, Arthur Smith Woodward. Zij vonden in totaal negen fragmenten van een hersenpan, voornamelijk van de linkerzijde van de schedel en de rechterkant van de onderkaak met twee kiezen, die op menselijke kiezen leken. Verder werden enkele vuurstenen werktuigen en fossiele beenderen van uitgestorven dieren aangetroffen. Ze legden hun vondst voor aan de beroemde anatoom Arthur Keeth. Hij was al lange tijd op zoek naar de herkomst van 'de Oerbrit'. Volgens Keeth had deze schedel net zo een groot hersenvolume als een moderne menselijke schedel. Hij dacht dat de vondst het oudste menselijke fossiel was. Hij noemde het: Eoanthropus dawsoni (dageraad-mens van Dawson). Sussex eerde de zoon van eigen bodem. Het was een voltreffer. De vondst lag helemaal in lijn met hoe er gedacht werd over het ontstaan van de mens. Het werd juichend binnengehaald door de Engelse antropologen. Ze geloofden dat de hersenen, die een hoofdrol speelden bij het voortbestaan van de mens, al in een vroeg evolutiestadium in omvang waren toegenomen, terwijl het gebit en de lichaamshouding later kwamen. Arthur Keeth en nog anderen werden geridderd. Voortaan kon Groot-Brittannië er zeker van zijn, dat het de geboorteplaats van de moderne mens was.

Raymond Dart
fig 2.6.2:
Raymond Dart met de Taung schedel in zijn hand

Maar in 1924 werd de superioriteit van de Britten bedreigd door een verrassende vondst in Afrika. In de Buxton kalkgroeve ten noorden van Kimberley, waar diamanten gedolven werden, bevond zich naast gewoon spierwit kalk ook verontreinigde kalk, die roze gekleurd was. In het roze materiaal zaten botten. Een medewerker van de kalksteengroeve, ene De Bruin, verzamelde al een paar jaar schedels van bavianen. Op een dag viel hem een vreemde schedel op. Hij stuurde hem op naar het hoofd van de medische faculteit van Johannesburg, Professor Raymond Dart, een anatoom. Op 28 november 1924 trouwde de beste vriend van Dart. Dart was getuige. Op het moment dat hij zich verkleedde, werd er een kist met onbekende inhoud bezorgd. Er zaten brokjes kalksteen in en een fossiele schedel. Dart had in Engeland een prima opleiding in hersenanatomie genoten. Hij zag meteen dat het niet van een aap kon zijn. "Er ging een rilling van opwinding door me heen. Het was geen gewone aapachtige schedel", schreef Dart later. Bijna iedereen zou de schedel aan hebben gezien voor een chimpanseeschedel maar Dart wist dat hij iets bijzonders op het spoor was. Dart had iets van een wetenschappelijke dwarsligger. Waarschijnlijk sprak het hem erg aan dat hij enkele van de gevestigde ideeën van zijn tijd onderuit kon halen. Een daarvan was dat een dergelijke vondst uit het verkeerde werelddeel kwam. Men vond dat alles wat belangrijk was zich in Europa moest hebben afgespeeld. Volgens blanke Europese mannen moesten we in Europa zijn ontstaan: "Wij konden toch niet uit Afrika komen? Moet je zien, hoe primitief Afrika is." Het was uiterst onwaarschijnlijk dat de oorsprong van de mens op het grote "zwarte" continent gezocht moest worden.

In de kist zat nog een verrassing. Binnen in het gesteente zat een schedeltje. "Geen diamantklover werkte met meer liefde of grotere zorgvuldigheid aan een juweel van onschatbare waarde", schreef Dart. Vier weken later kwam het gezicht uit de steen te voorschijn. Hij bekeek het gebit. Tot zijn grote verbazing zag hij, dat de hoektand, de oogtand, net zo klein was als die van een mens! En niet groot en slagtandachtig als van een chimpansee of gorilla. De schedel had een compleet tijdelijk gebit, een melkgebit, dat nog bezig was door te komen. De schedel bestond uit een bijna complete voorkant, een onderkaak met tanden en het rechter gedeelte van de hersenpan. In de hersenpan had zich gesteente afgezet, dat de vorm van de originele inhoud had aangenomen, waardoor een endocast (binnenafdruk) was ontstaan. Dit paste precies en zo ontstond een kinderschedeltje. Het was een openbaring voor hem. "In een oogopslag zag ik dat de replica die ik in mijn hand had, drie keer het hersenvolume van een baviaan had", verklaarde Dart. Op een gegeven moment viel hem iets onverwachts op. Gezien de vorm van de schedelbasis balanceerde het hoofd op een verticale wervelkolom. Het hing niet voorover aan een schuin lopende wervelkolom, zoals bij dieren, die op vier poten in plaats van op twee benen lopen. Het liep dus rechtop. Het was de belichaming bij uitstek van een ontbrekende schakel tussen niet-menselijke dieren en mensen. Hij moet gedacht hebben aan een uitspraak van Charles Darwin uit de 19e eeuw toen die voorspelde, dat Afrika de bakermat van de mensheid zou blijken te zijn. Dart noemde het fossiel, de schedel van Taung, naar de streek van herkomst.

Hij schreef een artikel over zijn bevindingen en stuurde het naar Engeland, naar het beroemde tijdschrift Nature. Haar hoofdredacteur had zijn twijfels. Jongere mensaapjes vertonen namelijk grotere overeenkomsten met mensen, dan hun ouders. De kans op vergissingen was dus groot. Dart had geen sluitend bewijs geleverd vond men in Engeland. Een kind gold niet als bewijsmateriaal. Men wilde pas luisteren, als hij een volwassen versie zou vinden. De meeste wilden alles laten zoals het was. Men zei: "We hebben Piltdown toch?" Het was een heel oud fossiel en het oogde modern. Bovendien bevestigde de Piltdown-mens de Britse superioriteit en de bestaande racistische vooroordelen jegens bijvoorbeeld Afrikanen. De vondst van Dart was bedreigend. De Britten hielden vol, dat Piltdown en niet Taung de ontbrekende schakel was.

Robbert Broom
fig 2.6.3:
Robert Broom

In Afrika vond Dart eindelijk iemand die het met hem eens was, Robert Broom. Tijdens zijn eerste bezoek aan Dart knielde Broom voor de schedel van Taung, om het fossiel eer te bewijzen. Broom was medicus, had in Australië fossielen van buideldieren bestudeerd en was een wereldwijd bekend deskundige op het gebied van zoogdierachtige reptielen uit Zuid-Afrika. Hij onderzocht de Taung-schedel ook en kwam tot de conclusie, dat de interpretatie van Dart de juiste was. Broom was vastbesloten het bewijsmateriaal te vinden, dat de ontdekking van Dart zou bevestigen. Hij begon een speurtocht naar een volwassen versie van het kind van Taung. Zo ging de jacht op de Australopithecus africanus onverminderd door. Samen met studenten van Dart bezocht Broom de kalksteenafzettingen van Sterkfontein in de buurt van zijn woonplaats. Al snel vonden ze fragmenten van fossielen. Op zijn tachtigste, na ruim tien jaar hardnekkig speuren vond Broom een complete schedel. Hij had het geringe hersenvolume van een mensaap, maar hij liep als een mens. Darts schedel van Taung stond niet langer alleen. Het besef drong door, dat het niet een raar schedeltje betrof, maar een complete gemeenschap, een populatie. Nieuw bewijsmateriaal stapelde zich op en het tij keerde.

Piltdown werd strenger bewaakt dan de kroonjuwelen. Men kon het specimen pas grondig bestuderen in de jaren vijftig. Toen werd de Piltdown-schedel tentoongesteld. Een zekere kreeg de gelegenheid om hem te bekijken. Hij merkte vrij snel dat er iets niet klopte. Dit specimen paste niet lekker in elkaar. Toen de conservator van het British Museum fluordatering toepaste ontdekte hij, dat de schedel tienduizend jaar ouder was dan het kaakbeen. Een vernietigende publicatie bewees, dat het de onderkaak van een orang-oetang was, die tot een mensenkaak was versleuteld. Veertig jaar waren vele deskundigen bedrogen. Wie waren de daders? Hoe intensief men ook zocht, er werd geen definitief bewijs gevonden. Waarom duurde deze 'grap' zo lang? De piltdown-mens paste zo goed bij datgene waarop men in die tijd hoopte: een evolutionaire ontbrekende schakel, die kenmerken van de mens met die van de mensaap combineerde. Dit voorval toont aan, dat wat we verwachten te vinden, de interpretatie van hetgeen we feitelijk vinden kan beïnvloeden.

Toen Piltdown had afgedaan, werd het kind van Taung juichend binnengehaald als onze rechtmatige voorouder. Ten slotte bleek Afrika de bakermat van de mensheid te zijn. In de loop der jaren verschafte de Afrikaanse bodem steeds meer aanwijzingen over het mysterie van de herkomst van de mens.

Laatst bijgewerkt: 07-01-07

colofon