242 | Tiktaalik roseae |
![]() |
![]() ![]() |
In 2006 werd Tiktaalik roseae beschreven, waarvan men vanuit de evolutietheorie gezien denkt dat het een soort is die tussen vissen en Acanthostega in stond. Op basis van fossiele vondsten is dit echter niet verklaarbaar. In ieder geval kan het niet als een overgangsvorm worden beschouwd.
Tiktaalik roseae wordt door sommige wetenschappers gezien als de schakel tussen de vissen en de gewervelde landdieren. Andere wetenschappers zijn van mening dat het hier niet kan gaan om een overgangsvorm. Dit dier leefde 383 miljoen jaar geleden tijdens het Devoon-tijdperk in de moerassen van wat nu Canada is. Een team van wetenschappers vond in 2004 drie vrijwel complete, goed bewaarde fossielen van Tiktaalik op het Canadese eiland Ellesmere Island. Tegenwoordig ligt dit eiland meer dan 970 kilometer ten noorden van de noordpoolcirkel, maar in het Devoon was het in een wat zuidelijker positie een onderdeel van het supercontinent Pangaea; het aardklimaat was ook veel warmer in die tijd. De naam Tiktaalik komt uit de taal van de Inuit, de lokale bewoners van het hedendaagse Ellesmere Island, en betekent zoiets als "grote vis uit ondiep water" en het is de Inuit-naam voor de kwabaal. Het grootste dier had een lengte van bijna 3 meter. Voor de vondst van Tiktaalik was bekend dat tijdens het Devoon de lobvinnige vissen zich ontwikkelden tot landlevende gewervelden. Er bestond echter een gat van ongeveer 20 miljoen jaar tussen Panderichthys, een 385 miljoen jaar oude vis met de eerste aanpassingen voor een leven op het land, en Acanthostega, het oudst bekende gewervelde landdier dat ongeveer 365 miljoen jaar geleden leefde. Tiktaalik valt wat betreft ouderdom en aanpassingen precies in het gat tussen beide soorten. |
![]() |
Vermoedelijk was Tiktaalik een waterbewoner die zo nu en dan uitstapjes maakten op het land. Het land was ongeveer 380 miljoen jaar geleden nog het domein van de ongewervelde dieren. Hierdoor was er op het land voor Tiktaalik voldoende voedsel in de vorm van ongewervelde dieren en bovendien geen gevaar van gewervelde roofdieren. De gevonden exemplaren van het dier variëren in lengte van anderhalf tot drie meter. Het dier heeft een driehoekige, afgeplatte kop, zoals een krokodil. Het platte, brede lichaam doet denken aan dat van viervoeters, maar is bedekt met schubben. Echt vissig aan de nieuwe soort zijn verder de primitieve onderkaak en de vinnen. Maar de rest van zijn anatomie wijst erop dat Tiktaalik hard op weg was om het water uit te kruipen. Zo konden hoofd en schouderpartij onafhankelijk van elkaar bewegen, wat het dier extra bewegingsvrijheid gaf. Bij vissen zijn hoofd en schouder met elkaar verbonden - ze hebben geen nek - en bewegen als een geheel. De ribben van Tiktaalik zijn verder breder dan die van een gemiddelde vis, en liggen dakpansgewijs over elkaar. Daardoor krijgt het lichaam meer stevigheid - handig, als je zonder hulp van de opwaartse kracht van het water wilt kunnen bewegen. Ook de vorm van het middenoor lijkt op die van viervoetige landbewoners. Maar de allerbelangrijkste aanwijzing dat Tiktaalik voorzichtig aan land moet zijn gegaan, zijn de borstvinnen. Die bestaan uit een serie botjes die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen, precies zoals de ledematen van een viervoeter. De onderzoekers onderscheiden primitieve schouder-, elleboog- en polsgewrichten. Het dier kon daardoor waarschijnlijk op zijn borstvinnen steunen. Met licht gebogen schouder en elleboog, en de uiteinden - wat bij ons de vingers zijn - plat op de grond. Zeker kon het op die manier door het ondiepe water scharrelen, maar vermoedelijk ook op het land. Daar wijzen de stevige borstkas en het beweeglijke hoofd op. Tiktaalik heeft dus zowel trekken van een vis als van een viervoeter. "We noemen het gekscherend een 'visvoeter'", aldus Neil Shubin van de Universiteit van Chicago in een begeleidend persbericht. Tiklaatik is overigens niet de eerste visvoeter. Zijn evolutionaire voorganger, de 385 miljoen jaar oude Panderichthys, kon met zijn borstvinnen waarschijnlijk al redelijk uit de voeten op de modderige bodem van een ondiep watertje, maar verder was het nog echt een waterdier. Tiktaalik is dan ook geen spreekwoordelijke 'missing link' - het woord suggereert dat er zoiets als één enkel overgangsfossiel bestaat - maar een dier uit een zich ontwikkelende reeks. Het vervaagt de grens tussen twee verschillende levensvormen: de in het water levende vissen, en de landdieren. De nieuwe fossielen passen heel mooi in het tien miljoen jaar grote gat in de stamboom tussen Panderichthys - de scharrelvis - en de eerste echte viervoetige landdieren. De oudste fossiele overblijfselen daarvan zijn 376 miljoen jaar oud. Tiktaalik had een krokodilachtig uiterlijk met een brede snuit met scherpe tanden, wat aangeeft dat het zeer waarschijnlijk een roofvis was. De bouw van de poten, de nek en de borstkas hebben aanpassingen voor een leven op het land. Hij had een echt schouder-, elleboog- en polsgewricht. De neusgaten, aangepast aan het ademen van lucht, en ogen bevonden zich op de bovenkant van de kop. Daarnaast had Tiktaalik denkelijk ook vinnen en een geschubde huid als een vis. |
De evolutie van vis tot viervoeter. Geleidelijk verdwijnen de kieuwdeksels - bij Tiktaalik afwezig - en ontwikkelen de vinnen zich tot pootjes. Vissige voorgangers van Tiktaalik zijn Panderichthys en Eustenopteron. De viervoeters Acanthostega en Ichtyostega hebben ieder nog een visachtige staart, maar zijn duidelijk landdieren. Ze leefden 365 miljoen jaar geleden. Er zijn wel oudere viervoeters gevonden, tot 376 miljoen jaar oud, maar de fossielen daarvan zijn minder compleet. Afb.: Nature.
Bronnen: Tiktaalik - Wikipedia; Noorderlicht Noorderlicht Nieuws Tiktaalik, de visvoeter; Kennislink - Ontwikkeling van voortbewegen met poten in nieuw daglicht Gemaakt: 09-11-06 |
![]() |