164 |
Ribkwallen (Ctenophora) |
Uit de alzijdig symmetrisch gebouwde Radiata ontwikkelden zich, naast de Neteldieren, de Ribkwallen. |
Radiata | Bilateria | |
Ctenophora (Ribkwallen) | Cnidaria (Neteldieren) |
Ribkwallen (Ctenophora) zijn dus nauw verwant aan de Neteldieren en werden dan ook vroeger samen met deze gerekend tot één stam: de Holtedieren (Coelenterata). Ze vormen echter toch duidelijke een aparte stam van het dierenrijk. Zij hebben namelijk geen netelcellen en geen generatiewisseling.
De Ribkwallen omvatten circa. 80 soorten die uitsluitend in zee voorkomen. Deze glasheldere dieren, die soms een zacht roze kleur hebben, lijken wel een beetje op sommige kwallen. Op het bol- tot schijfvormige lichaam staan gewoonlijk acht trilhaarbanden waarop de trilharen in achter elkaar gelegen dwarse rijen staan. |
![]() |
Er zijn ca. 90 soorten Ribkwallen bekend. Alle komen uitsluitend in zee voor. De glasheldere dieren, die soms een zachtroze kleur hebben, lijken wel een beetje op sommige kwallen. Op het bol- tot schijfvormige lichaam staan gewoonlijk acht trilhaarbanden, waarop de trilharen in achter elkaar gelegen dwarse rijen staan. Ribkwallen hebben een darmkanaal dat alleen door een mond met de buitenwereld in verbinding staat. Voedsel wordt gevangen met behulp van een soort kleefcellen (colloblasten). Er worden twee klassen onderscheiden:
Tentaculata, hebben twee tentakels, waarop zich de colloblasten bevinden. Een bekende soort, die soms massaal op het strand aanspoelt, is de Zeedruif (Pleurobrachia pileus) (z. foto rechts) b, 3 cm groot, die zeer lange tentakels heeft, welke met het eventueel gevangen voedsel kunnen worden ingetrokken. |
![]() |
De Zeedruif bestaat als het ware uit een zak met een opening aan de ene kant (mond) en aan de andere kant (anale poriën). De wanden van die zak bestaan uit twee weefsellagen: een buitenste (ectoderm) en een binnenste (endoderm). Daartussen zit een gelachtige laag, dat bij de Zeedruif duidelijk te zien is. Zeedruiven vangen hun voedsel, kleine planktondiertjes, met twee lange tentakels met kleverige haren (die worden ook wel lassocellen genoemd). Deze tentakels kunnen wel 20x zo lang worden als de rest van hun lichaam. Ze hebben dus geen netelcellen en prikken niet. Ze vangen hun voedsel doordat planktondiertjes (per ongeluk) tegen de kleverige tentakels zwemmen en er aan vast blijven plakken. Wanneer ze hun prooi hebben gevangen brengen ze het naar hun mond. Aansluitend aan de mond zit het vrij ingewikkelde maag-darmkanaal. Ribkwallen kunnen geen algen verteren: het zijn echte vleeseters. Vanaf de maag verspreidt een systeem van 'kanalen' met trilharen het verteerde voedsel naar de rest van het lichaam. Onverteerd voedsel verlaat het lichaam via de anaalporiën aan de onderkant van het lichaam, of via de mond.
Ribkwallen onderscheiden zich van de schijfkwallen door de aanwezigheid van acht verticale ribben. Op deze ribben zitten kleine platte kamplaatjes die ritmisch op en neer bewegen. Hierdoor ontstaan er iriserende golfjes langs het lichaam. Zij dienen voor de voortbeweging. Als je een lamp op zo'n kwalletje richt, lijkt het alsof het lichaam bewegende gekleurde lichtjes bevat die doen denken aan neon reclame. Aan zijn lichaam zitten twee tentakels die ingetrokken kunnen worden. Deze tentakels zijn ongeveer tien keer zo lang als het lichaam zelf. Aan deze tentakels zitten kleefcellen waarmee hij naar prooi vist. Als er een garnaaltje of een vislarve aan zijn tentakel blijft hangen haalt hij die binnen en brengt hem naar zijn mondopening. Zeedruifjes zijn tweeslachtig en brengen zowel zaadcellen als eieren voort. Deze eieren worden in het najaar in het openwater bevrucht. De larven brengen hun eerste tijd door tussen het plankton. Bron: De brakwaterschorren aan de Schelde - Galgeschoor, Groot Buitenschoor en Schor Ouden Doel - de zeedruif - Pleurobrachia pile |
![]() |
![]() |
De Venusgordel (Cestum veneris) is zeer plat en heeft de vorm van een lint (tot meer dan 90 cm lang en 5 cm breed); deze komt o.a. in de Middellandse Zee voor. |
![]() |
Nuda of Atentaculata, hebben geen tentakels; de mond is zo groot als de middellijn van het dier. Beroë cucumis (tot 20 cm diameter) komt in de Noordzee voor; deze zwemt met wijd open mond, waarbij uitsluitend andere ribkwallen, o.a. de zeedruif, hem tot voedsel dienen.
Laatst bijgewerkt: 27-01-07 |