105

Endosymbiose

Onder endosymbiose wordt het proces verstaan, waarbij grote oerbacteriën andere, kleinere en gespecialiseerde levensvormen in zich opnemen en vormden nieuwe krachtige levensvormen. Deze vrij recente en inmiddels wijd aangehangen theorie gaat terg op de ideeën van Lynn Margulis (1963).

In de loop van de evolutie hebben die endosymbioses zich enkele malen voorgedaan.

 

De eerste keer waren het relatief grote, onbeweeglijke bacteriën die een fusie aangingen met kleine, beweeglijke bacteriën welke al waren uitgerust met zweephaartjes (de voorouders van de huidige Spirochetae). Voor de gastheer betekende dit de mogelijkheid de bewegingsstructuren te gebruiken als bouwstenen voor interne membranen en andere organellen (=kleine orgaantjes binnen een cel).

Bij een tweede endosymbiotische sprong namen de gastheercellen weer andere kleine gespecialiseerde bacteriën in zich op die het vermogen hadden ontwikkeld in een zuurstofomgeving te kunnen leven. Binnen de gastheer ontpopten ze zich tot wat we nu mitochondriën noemen: de producenten van de energiepakketjes in een cel.

De derde keer waren het fotosynthetiserende bacteriën die door de grote broers werden opgeslorpt. Ook nu nestelden de gasten zich blijvend in de gastheer met een dramatisch gevolg. De combinatie kon immers voortaan beschikken over het vermogen om fotosynthese te plegen: het proces waarbij onder invloed van licht zuurstof wordt omgezet in brandstof en bouwstoffen.

Sommige van de opgenomen bacteriën zijn nog herkenbaar als organel in de gastheercel. Zo leven cyanobacteriën nog voort als bladgroenkorrels in algen en plantencellen en zijn de mitochondriën een overblijfsel van een endosymbiotische proteobacterie. Deze oerbacteriën zijn onlosmakende onderdelen van de eukaryotische cel geworden, aanwezig in elk dier, elke plant en elke schimmel.

rechts: cyanobacteriën

Margullis: "Met bacteriën is het leven begonnen en uit innig samenwerkende bacteriën zijn eukaryotische levensvormen ontstaan."

Volgens Margullis gaat de endosymbiose niet alleen op voor het ontstaan van bladgroenkorrels en mitochondriën, maar ook voor het ontstaan van eencelligen met een zweepstaart (Ciliaten). Zij moeten ontstaan zijn uit endosymbiose met een spirocheet, een kurkentrekkervormige bacterie, met een eukaryoot, een cel met kern.

Volgens de Canadese microbioloog-arts Sorin Sonea bestaan er onder de bacteriën geen soorten. Er zijn wel verschillende typen, maar het concept van soorten, zoals we dat bijvoorbeeld van Maïsplanten en Primaten kennen, bestaan daar niet. "Bacteriën kennen geen soorten omdat zij allemaal onderling genen uitwisselen; de genen stromen op grote schaal van de ene bacterie naar de andere. Maar vanaf het moment dat door endosymbiose de eukaryote, kernhoudende cel ontstaat, ontstaan er soorten. Kernhoudende eencellige diertjes, zoals de algen en protisten, vormden de eerste soorten in de evolutie.

Laatst bijgewerkt: 16-11-02

colofon