2500

De IJzertijd (ca. 700 - 200 v. Chr.)

Bronstijd (2100 - 700 v. Chr.)

Klik hier voor het frame van de pagina

Het metaal ijzer was al langer bekend en werd even hoog geschat als goud; soms werden bronzen voorwerpen ermee beslagen. Omstreeks 1200 voor Chr. ontdekten de Chalybes een volk in Noord-Oost-Anatolië dat ijzer op veel meer plaatsen gewonnen kan worden dan tin of koper en dat het tevens met de nodige moeite te bewerken was en veel goedkoper was dan brons. De gevolgen van deze ontdekking waren enorm. Het politieke en culturele zwaartepunt verplaatste zich van het hof naar het volk. De oude staat begon te wankelen. 

De Chalybes werden door door de Grieken beschreven als "ijzerbewerkers" en leefden zij in holen en grotten in het gebied dat men toen Pontus noemde, tussen de huidige steden Samsun en Trebizonde. Vermoedelijk waren zij verwant of identiek aan / met het volk de Khaldi van het Van-meer, dat de Assyriërs al vele eeuwen kenden als volk van smeden en rovers, die regelmatig uit de bergen in de vlakten van Euphraat en Tigris neerdaalden om te roven en die dus door regelmatige "politionele acties" op hun nummer moesten worden gezet. De Chalybes stonden bij het uiteenvallen van het Hittitische Rijk als gevolg van de Egeïsche volksverhuizing onder het gezag der Toebal en Meshech (Mushki) (omstreeks 1200 v. Chr.) en waren toen al lang ijzersmeden van wereldreputatie, die het monopolie van de staalproductie bezitten. 

Uit Hittitische bronnen dateert het eerste bericht over ijzer van ongeveer 1925 v. Chr., wanneer een vorst van een klein staatje vertelt hoe hij in een verwarde tijd de hoofdstad des lands heeft overvallen en geplunderd en daarbij een "ijzeren troon" en een "ijzeren scepter" heeft buitgemaakt. De volgende teksten dateren uit de tijd van 1850- 1400 v. Chr. en spreken van ceremoniële wapens, beeldjes of stichtingstafels (welke onder grote gebouwen werden begraven), dus over zaken, die men altijd van kostbare materialen maakte. Dit ijzer wordt in het bergland in de vazalstraat Kizzuwadna gemaakt en bij kleine beetjes, want in een brief aan de koning der Hittieten schrijft de vazalvorst: "Betreffende het goede ijzer waarover ge me schreef. Er is (nu) geen goede tijd om ijzer te maken, maar ik heb een boodschap gezonden om goed ijzer Ze zijn nog niet klaar, maar als ze klaar zijn, zal ik het U zenden. Ziet ik zend U nu een ijzeren kling voor een dolk, "Ik heb gelast dat men klingen maakt, doch tot heden zijn ze nog niet klaargekomen".

Het is duidelijk dat de fabricage van verstaald smeedijzer omstreeks 1400 v. Chr. nog een moeizame en hachelijke zaak was en dat men afhankelijk was in het gehele Hethietenrijk van de productie der Chalybes. Zelfs enkele eeuwen later is het ijzer nog niet tot de algemene bewapening van het leger te rekenen. Wel verschijnen tussen 1400 en 1200 steeds meer ijzeren voorwerpen in opgravingen en teksten. In het graf van Toetanchamon we b.v. een verstaalde smeedijzeren dolk in een prachtig met goud versierd heft gestoken, dat deze koning van zijn grootvader had geërfd, welke Amenhotep II het als geschenk van de Hethieten had gekregen (omstreeks 1400 v. Chr.).
Het is duidelijk aan de vondsten te zien, dat de voordelen van het nieuwe metaal boven koper en brons zijn werk deed. Daar kwam natuurlijk bij de tinschaarste, niettegenstaande men veelal het oude brons inzamelde en opsmelt zoals de voorraad van een Egyptische bronssmid ons laat zien. Het versmelten van de overal rijkelijk aanwezige ijzerertsen en de nieuwe techniek van smeden baanden zich gestadig een weg en de smidsvolken werden niet alleen omstreeks 1200 v. Chr. verder over de toenmalige wereld verspreid door invallen van barbaren in Klein-Azië, welke het verzwakte Hethietenrijk uiteensloegen en daardoor volksverhuizingen veroorzaakten, die tot aan de grenzen van Egypte waren te merken, maar met hun verspreiding werd het monopolie van de staalbereiding grotendeels verbroken. Zo is de tijd tussen 1400 en 1000 v. Chr. de aanlooptijd voor de verbreiding van het ijzer geworden, daarna neemt de productie in verschillende landen zienderogen toe. IJzer begint zijn plaats naast brons te veroveren voor werktuigen en wapens, de IJzertijd is aangebroken. Het "democratische" ijzer heeft men wel gesteld tegen het "aristocratische" brons, dat door het dure tin slechts beperkte kringen ten dienste stond. Zo vind men zelden bronzen ploegijzers, doch wel stenen en later ijzeren. 15 Zo waren de pijlpunten der Egyptische soldaten zeer lang van vuursteen en niet van brons, doch dan eindelijk gaat men ze van ijzer maken. Het "chabalkinnu" (verstaald ijzer) der Chalybes wordt een belangrijk materiaal, zijn naam en die van de smeden, die het uitvonden, leeft in het Griekse "chalybs" voor staal verder.

Omstreeks 1100 v. Chr. vinden de Assyrische koningen nog belangrijk genoeg in hun teksten te vermelden, dat zij een "ijzeren speer" bezitten, en rond 900 v. Chr. kost 60 kilo ijzer nog 16 shekel zilver, terwijl een slaaf er 30-40 kost. Maar koning Assur-nasir-pal (rond 870 v. Chr.) ontvangt hoeveelheden van 6-15 ton ijzer als schatting uit de bergstreken in het Noorden en later worden nog hoeveelheden van 30 ton (uit Damascus) vermeld. De Assyrische en later de Babylonische staat kopen dit ruwe ijzer in zijn magazijnen op en geeft het aan de smeden uit (dikwijls immigranten uit het bergland) die het tegen tarief omsmeden in wapens en werktuigen. Deze smeden heten niet meer "smelters", zoals de oudere teksten ze noemen, doch "vuur-aanblazers", smeden, die met een smidsvuur werken. In het paleis van Sargon II (ca. 700 v. Chr.) werden tonnen ijzeren voorwerpen gevonden en vele baren ruw ijzer, welke 8-44 pond wogen. We bezitten zelfs een brief van de magazijnbeheerder van het "ijzermagazijn" te Assur, die zich over "ambtenarij" beklaagt bij de koning, omdat men hem van het kastje naar de muur stuurt als hij om assistentie verzoekt om een lekkend dak te repareren.

Rest nu nog het woord Kaïn, dat ons ook midden in de vroege ijzermetallurgie brengt. In het verhaal van Genesis 4:1 wordt de naam Kaïn in verband gebracht met "qânâh", "verwerven" en zijn naam zou dan betekenen "ik heb verkregen". In dit verband is Kaïn landbouwer en wordt hij na de moord op Abel een zwervende nomade, getekend met het Kaïnsteken, "dat niemand die hem zou aantreffen, hem zou verslaan". Het woord Kaïn betekent echter ook "lans" en "smid", evenals een sterk verwant Arabisch woord. In de verbinding Toebal-Kaïn moeten we het zeker lezen als "Toebal de smid", en waarschijnlijk in het verhaal van Kaïn ook.
In de geschiedenis der metallurgie spelen namelijk de reizende smeden een grote rol. Wij maakten reeds melding van het feit, dat omstreeks 1200 v. Chr. het Hethietische Rijk uiteen werd geslagen door van de Balkan komende invallers en ook de smedenstammen in het Armeense bergland worden deels uiteengeslagen en trekken met flarden van volkeren tot diep in Mesopotamië en oostwaarts alsook zuidwaarts tot de Egyptische grenzen. De Filistijnen, die thans ook in de Egyptische teksten beginnen op te duiken, zijn noordelijke stammen, die zich aan de kust van Palestina neerlaten op de grote handelsweg naar het Noorden en die de ijzersmeedkunst machtig zijn. Dit blijkt ons niet alleen uit het Oude Testament, waar de Filistijnen tot de regering van Saul het monopolie bezitten van de fabricage van ijzeren werktuigen en wapenen en waar David aan zijn hof een Hethiet Barzillai heeft, wiens naam (net als van de latere befaamde scheikundige uit Zweden, Berzelius) "man van ijzer" betekende. Ook opgravingen bij Gerar, daterende uit 1200-1100 v. Chr. hebben een smidse en ijzersemlterij (?) blootgelegd, waarin houwelen, ploegijzers, bijlen en andere werktuigen en wapens werden gevonden. In meer noordelijke Syrische steden begint het ijzer vaker op te treden en geleidelijk wordt dit metaal ook in Palestina algemeen in gebruik genomen. Toch spreekt 16 nog in het Oude Testament voortdurend het wantrouwen tegen het nieuwe metaal, dat wegens zijn "onreinheid" in vele gevallen niet mag worden gebruikt, wil men niet in conflict met de Wet komen.

Dit wantrouwen tegen het nieuwe metaal geldt ook de smid reeds sinds de Steentijd. In het verhaal van Kaïn horen we, dat hij niet alleen eerst nomade is en later toch een stad "Henoch" sticht, doch ook, dat hij is getekend met het "Kaïnsteken". Een dergelijk onderscheidingsteken, zich uitende in een tatoeage, versierselen of kleding, vinden we nog bij de smeden van primitieve stammen. Bij primitieve gemeenschappen is de smid namelijk een uitzonderlijke figuur, hij is de eerste vakman, die volledig moet bestaan van zijn arbeid. Oude boerengemeenschappen brachten veel van wat wij nu industriële producten noemen in huisarbeid in het gezin voort. Nog bij de Romeinen maalde en bakte men het koren thuis, men spon en weefde zeer veel kleding, men was sterk onafhankelijk van massaproductie der dagelijkse goederen, die onze samenleving zozeer beheerst.
De smeden echter, die zelf de ertsen moesten delven en houtskool moesten branden voor zij het metaal konden smelten en die deze fases van de metaalproductie pas later aan experts overlieten, werden door hun werk volledig in beslag genomen. Zij ruilden hun producten voor die van de boer. In zulke landbouwgemeenschappen waren zij zeer geacht en genoten dikwijls de roep van wijze of tovenaar, die immers stenen uit de aarde gedolven zomaar in metaal veranderde door het vuur, al moest hij ook door reinheid, gebeden en offers aan de geesten van de aarde een zoenoffer brengen voor, wat hij aan de aarde had ontrukt. Bij deze gemeenschappen bekleden zij dikwijls een hoge rang op de sociale ladder en zij worden alsnog op Bali nauwelijks minder geacht als de adel en de priesters.

Voor de nomaden echter is de smid, gebonden als hij altijd blijft aan de omgeving, waar hij erts en grondstof voor houtskool kan vinden, weinig geacht, al zal hij om zijn grote kunst worden geschuwd en gevreesd. Toch heeft b.v. de smid bij de Bedoeïenen geen deel aan het stamverband, hij is van huwelijken uitgesloten en blijft altijd een vreemde, al hebben de smeden bij de verschillende stammen wel onderlinge banden. Is dit eigenlijk niet nog steeds het lot van de zigeuners onder ons, die merkwaardige groep, die van oorsprong ijzersmeden uit Indië. (Zij noemen b.v. koper "rood ijzer", omdat zij alleen het woord ijzer kennen voor metaal!) werden tot kopersmeden en ketellappers, om maar te zwijgen van hun reputatie als paardenfokkers en paardendieven en hun waarzeggerij!

De differentiatie tussen mijnbouwer, smelter en smid en zelfs tussen verschillende vormen van smeden had zich al voltrokken bij het begin van de IJzertijd. Maar we vinden steeds een groep reizende smeden door de gehele geschiedenis heen, zij zijn het, die op zoek naar tin en andere ertsen van het Nabije Oosten uit de metallurgie verbreiden in het prehistorische Europa en ook andere richtingen uit. Wie de rol van deze reizende smeden in primitieve gemeenschappen in het verleden wil kennen leze het machtige Finse epos, de Kalevala, waar het smeden van de Sampo, een wonderwapen, een grote rol speelt, of hij grijpe naar de sagen van Wieland de smid, van Hephaistos en vele andere smeden, die in sagen en legenden voortleven.
Deze primitieve smeden hebben zekere trekken gemeen. Zij worden als kleine 17 zwarte gestalten getekend, mogelijk omdat zij oorspronkelijk tot de bergvolken behoorden. Dikwijls worden ze blinkend afgebeeld als Hephaistos en Vulcanus en men heeft dit wel opgevat als de gevolgen van een beroepsziekte van smeden, die sterk arseenhoudende koperpyrieten verwerkten. Maar altijd hebben ze behalve hun vakkennis bovennatuurlijke macht en wijsheid, zij beheersen het aardvuur en vereren de god der vulkanen of worden zelf geacht hun smidsen in het binnenste der vulkanen te bouwen.

In het verhaal van Mozes vinden wij de Kenieten, ongetwijfeld ijzersmeden, die als een der groepen waren uitgezworven uit het Hethietische Rijk omstreeks 1200 v. Chr. en die zich nu in Midian met zijn rijke ijzerertsen en bossen ophielden. De Israëlieten hebben niet zulke minachting voor hen gehad als de echte nomaden, zoals de herders die dochter van Rehuël de Keniet verjaagden van de bron (Exodus 2: 17). Zij hadden eerbied voor hen en Mozes huwde de dochter van Jethro de Keniet, welke misschien de vuur- en dondergod van de berg Horeb in de Sinaï vereerde. Deze Kenieten leefden ook in het Noorden en in Amalek, de Rechabieten, strenge geheelonthouders en nomaden waren hun verwanten. Veel later zijn afstammelingen van deze Kenieten de smeden van de zwervende stammen in de Arabische woestijn geworden, immers zijn kenden het geheim van de voortbrenging van metaal, een kunst, die de woestijnbewoners nimmer machtig waren. Van hen geldt nog, dat zij "vreemdelingen zijn van over de Euphraat of uit Iran".

Dergelijke groepen van smeden, buiten stamverband levende, vindt men ook bij de Somalis of de Masai in Afrika en de smeden van de Faladschas in Abessinië zijn het Joodse geloof toegedaan.
In India vindt men nog dergelijke primitieve groepen van smeden, die van plaats tot plaats zwervende, naarmate het erts aan de aardoppervlakte uitgeput raakt, in kleine zeer eenvoudige smeltovens en houtskoolvuren kleine koeken staal weten voort te brengen, die zij in de steden verkopen. In de zomer zwierven zij uit en bezochten hun klanten om bestellingen af te leveren en op te nemen, om dan des winters het erts te delven en houtskool te stoken dicht bij hun woonplaatsen. We kennen uit het prehistorische Europa zelfs monsterkoffers van dergelijke reizende smeden. In deze houten koffers is van elk bronzen voorwerp slechts een stuk aanwezig, blijkbaar dienst doende als monster. Ook hoeveelheden oud brons zijn gevonden langs oude handelswegen en zij stellen blijkbaar een bezit van zulk een smid voor, dat hij wilde gaan omsmelten doch in tijd van nood in een pot moest verbergen. Hoewel wij uiteraard uit prehistorisch Europa geen geschreven documenten hebben, leiden de vondsten er toch toe ook daar de smid als een "getekende" te beschouwen, in de zin van een uitzonderlijk gevreesd en gewaardeerd vakman, wiens diensten bij de verschillende stammen op hoge prijs werden gesteld en wiens lof de oude liederen nog zingen.

(bron: Prof. R.J. Forbes, Metalen. - Jrg. XI, nr. 5 van 15 maart 1956)

Tijd van de Romeinen

laatst bijgewerkt: 12-04-06

colofon