513 |
Midden Oosten (Noord-Mesopotamië, Kanaän) |
![]() |
-17.000 | -16.000 | -15.000 | -14.000 | -13.000 | -12.000 | -11.000 | -10.000 | -9000 | -8000 | -7000 | -6000 | -5000 | -4000 | -3000 | -2000 | -1000 | 1 | 1000 | 2000 |
|
![]() |
|
Op de noordelijke heuvels van Irak en Iran ontdekten de jager-verzamelaars dat met het zaaien van zaden en graankorrels nieuwe planten konden worden gekweekt. Daarmee ontstond tegelijk een nieuw beroep: dat van boer. De zwervende jager-verzamelaars werden gevestigde boerenproducenten, die niet meer woonden in tenten, maar in duurzamere bouwsels. |
![]() |
![]() |
![]() |
De eerste graansoorten die de eerste boeren verbouwden waren: eenkoorn, emmer en gerst. Graan werd een belangrijk voedingsmiddel, maar al gauw ontdekten de eerste boeren dat ook zaden van andere eetbare planten konden worden gezaaid, zoals zaden van peulvruchten (bonen, erwten en linzen).
De boeren ontdekten ook dat wilde schapen en geiten geschikt waren om in gevangenschap te houden om zo altijd vlees, huiden en wol bij de hand te hebben. Al snel volgden nog meer ontdekkingen: zaaien ging sneller door met een tak groeven in de grond te trekken en door steeds de beste korrels en van de volgende oogst weer de beste korrels te gebruiken om te zaaien, konden betere en ook nieuwe graansoorten worden gekweekt. De nieuwe leefwijze was een succes en verspreidde zich snel over de vruchtbare gebieden van het Midden-Oosten. Naast verbouwen van graan bleef echter de jacht een belangrijk middel om aan voedsel te komen. In de heuvels werd gejaagd op wilde gazellen, wilde ezels, oerossen, wilde schapen, geiten en varkens en allerlei klein wild.
|
De eerste boeren waren nog halve nomaden. Als de grond na verloop van tijd was uitgeput, trokken ze weg en gingen daarna ergens anders wonen. Schalen, vazen en potten van gepolijst marmer of kalksteen werden gebruikt voor het koken en het bewaren van voedsel. | ![]() |
![]() |
Op plaatsen waar voldoende water en landbouwgrond beschikbaar was, ontstonden de eerste landbouwneder- zettingen. Dat gebeurde o.a. op de noordelijke heuvels van Irak en Iran, in Kanaän en op het hoogland van Anatolië. Men woonde in ronde hutten van leemtichels, twijgen en klei. Sommige nederzettingen groeiden aan eind van het 8e millennium uit tot steden, waaronder Jericho op de Westelijke Jordaanoever, de oudste bekende nederzetting, die al voor 9000 voor Chr. was ontstaan, dus kennelijk voor de uitvinding van de landbouw. |
laatst bijgewerkt: 04-01-05 |